Ezra 9:1-4
Toen Ezra te Jeruzalem kwam en de genade Gods zag over zijn broederen, is hij ongetwijfeld, evenals Barnabas, "verblijd geweest" en heeft hij hen allen "vermaand, dat zij met een voornemen des harten bij" "de Heere zouden blijven" Handelingen 11:23. Hij zag niets verkeerds, veel bederf blijft uit het gezicht ook van de waakzaamste bestuurders en heersers, maar hier wordt nu zijn blijdschap beneveld, er wordt hem kennis gegeven dat velen van het volk, ja zelfs sommigen van de oversten vrouwen gehuwd hadden uit heidense gezinnen en zich verzwagerd hadden met vreemdelingen.
Merk op:
I. Wat de zonde was, waaraan zij zich schuldig maakten, het was: dat zij zich vermengd hebben met de volken van deze landen, vers 2 zich met hen vergezellende in handel en verkeer, zich gemeenzaam met hen makende, en hun dochters ten huwelijk gevende aan hun zonen. Wij willen hopen dat zij hun goden niet aanbaden, dat zij door hun gevangenschap genezen waren van hun afgoderij. Wel wordt gezegd dat zij deden naar hun gruwelen, vers 1, maar dat betekent, zegt bisschop Patrick, hier slechts hun navolgen van de heidenen ten opzichte van gemengde huwelijken met personen van iedere nationaliteit, hetgeen hen langzamerhand weer tot afgoderij zou gevoerd hebben. Hierin:
1. Waren zij ongehoorzaam aan een uitdrukkelijk gebod Gods, waarbij hun alle gemeenzaamheid met de heidenen verboden werd en inzonderheid om huwelijken met hen aan te gaan, Deuteronomium 7:3.
2. Ontwijdden zij de kroon van hun afzondering en stelden zij zich gelijk met hen, boven wie God hen nu onlangs, zowel als vroeger, door bijzondere tekenen van Zijn gunst geëerd en onderscheiden had.
3. Wantrouwden zij de macht van God om hen te beschermen en te bevorderen, en lieten zij zich leiden door vleselijke wijsheid, daar zij hoopten zich aldus te versterken, door deze huwelijksverbintenissen invloed te krijgen onder hun naburen. Uit al die armzalige hulpmiddeltjes die wij aanwenden om ons te bevorderen en te bevoordelen, spreekt wantrouwen in de algenoegzaamheid Gods om ons te helpen.
4. Stelden zij zich, en nog veel meer hun kinderen, bloot aan het gevaar van afgoderij, juist die zonde, en welke juist op deze zelfde wijze bij hen ingeleid was, die eens het verderf van hun kerk en hun volk tengevolge heeft gehad.
II. Welke personen schuldig waren aan deze zonde, niet slechts sommigen van de onnadenkenden uit het volk van Israël, die niet beter wisten, maar ook velen van de priesters en Levieten wier ambt het was de wet te onderwijzen, onder anderen deze wet, en in wie, daar zij boven de gewone Israëlieten stonden, het een groter misdaad was. Het was een vermindering voor de zonen uit die stam om in een andere stam te huwen, en zij deden het zelden, behalve in de koninklijke stam, maar om huwelijken aan te gaan met heidenen, met Kanaänieten en Hethieten, en ik weet niet met wie nog meer, was zo'n verkleining en verlaging voor hen, dat zij er zich nooit schuldig aan gemaakt zouden hebben, als zij, zoal niet van plicht, maar dan toch van eer nog enig besef hadden gehad, en toch was dit nog niet het ergste: de hand van de vorsten en overheden, die door hun macht dit wangedrag hadden moeten voorkomen of hervormen, is de eerste geweest in deze overtreding. Als vorsten in overtreding zijn, dan worden zij beschuldigd van er de eersten in te zijn, vanwege de invloed van hun voorbeeld op anderen, velen zullen hun verderfenissen navolgen. Maar ongelukkig is de toestand van het volk, welks leiders hen verleiden en doen dwalen.
III. De mededeling hiervan aan Ezra, zij werd hem gegeven door de personen, die het meest tot klagen bevoegd waren, de vorsten, diegenen van hen, die nog aan hun oprechtheid hadden vastgehouden, en daarmee ook hun waardigheid hadden opgehouden, zij zouden anderen niet hebben kunnen beschuldigen, indien zij zelf niet vrij van schuld waren geweest. Zij werd gegeven aan de persoon, die de macht had verbetering te brengen in die toestand, die als vaardig Schriftgeleerde in de wet Gods met hen kon redeneren over de zaak, en als commissaris van de koning hun ontzag kon inboezemen. Waarschijnlijk hebben deze vorsten dikwijls gepoogd dit misbruik tegen te gaan, zonder er in geslaagd te zijn, maar nu wenden zij zich tot Ezra, hopende dat hij door zijn wijsheid, gezag en invloed bij hen zal overmogen om hun verkeerdheid in te zien en er van af te laten. Zij, die zelf openbare misbruiken niet kunnen afschaffen, doen toch goede dienst door diegenen ervan te verwittigen, die het wèl kunnen.
IV. De indruk hierdoor op Ezra teweeggebracht vers 3. Hij scheurde zijn kleed en zijn mantel, trok van het haar van zijn hoofd en van zijn baard uit, en zat verbaasd neer. Aldus gaf hij uitdrukking aan zijn diep besef:
1. Van de oneer, die Gode hiermede was aangedaan. Het smartte hem in zijn hart te denken, dat een volk, naar Zijn naam genoemd, zo grovelijk Zijn wet zou schenden, zo weinig nut en voordeel heeft getrokken uit Zijn tuchtiging en Zijn gunsten zo slecht had beloond.
2. Van het kwaad, dat het volk zichzelf hiermede heeft aangedaan, en het gevaar, waarin zij verkeerden, dat de toorn Gods daardoor over hen zou losbarsten. De zonden van anderen moeten ons tot smart zijn, de belediging van Gods eer en het kwaad, dat aan de zielen van de mensen gedaan wordt, moeten ons ter harte gaan. Smart over de zonde moet diepe smart wezen, zoals die welke Ezra gevoelde, smart als over een enige of een eerstgeboren zoon. Wij hebben reden om over de ergerlijke zonden van belijders verbaasd te zijn. Wij kunnen verbaasd staan als wij zien dat de mensen zichzelf tegenspreken, zichzelf verkleinen benadelen, in het verderf storten. Het is vreemd dat de mensen zo onbedachtzaam kunnen handelen en zo in tegenspraak met zichzelf. De oprechten zullen hierover verbaasd zijn.
V. De invloed, die Ezra's smart hierover had op anderen. Wij kunnen veronderstellen dat hij opging naar het huis des Heeren om zich daar te verootmoedigen, omdat hij in zijn smart het oog op God had, en dat was de geschikte plaats om er Zijn misnoegen af te bidden. Spoedig werd er openlijk kennis van genomen en al de vrome, ernstige mensen, die nabij waren, vergaderden zich tot hem, uit eigen beweging, naar het schijnt, want er wordt niet gezegd dat zij opgeroepen waren, vers 4. Het was de aard van Godvruchtige mensen om te beven voor Gods woord, zij hebben eerbied voor het gezag van zijn bevelen en voorschriften, en de strengheid en rechtvaardigheid van zijn bedreigingen, en op hen, die aldus voor Zijn woord beven, "zal God zien", Jesaja 66:2. Zij, die beven voor het woord Gods, kunnen niet anders dan beven wegens de zonden van de mensen, door welke de wet van God overtreden wordt en de overtreders aan de toorn en de vloek van God worden blootgesteld. De Godvruchtige ijver van één persoon tegen de zonde kan vele anderen tot eenzelfden ijver opwekken zoals de apostel in een andere omstandigheid gezegd heeft, 2 Corinthiers 9:2. Velen zullen volgen die geen bedachtzaamheid, moed en beleid genoeg hebben om voor te gaan in een goed werk. Alle Godvruchtigen behoren hen, die handelend optreden in de zaak van God tegen ondeugd en onheiligheid, te steunen en te doen wat zij kunnen om hun handen te sterken.