Esther 1:1-9
Wie van de koningen van Perzië deze Ahasveros geweest is, daarover zijn de geleerden het niet eens met elkaar. Mordechai wordt gezegd een van diegenen geweest te zijn, die gevankelijk van Jeruzalem weggevoerd zijn, Hoofdst. 2:6 waaruit men zou kunnen afleiden dat Ahasveros een van de eerste koningen was van dat rijk. Dr. Lightfoot is van mening dat hij de Artahsastha is, die de bouw van de tempel deed ophouden, en in Ezra 4:6 ook Ahasveros genoemd wordt, naar zijn overgrootvader uit het zaad van de Meden, Daniël 9:1. Wij hebben hier een bericht:
I. Van de grote uitgestrektheid van zijn heerschappij. In de tijd van Darius en Cyrus waren er slechts honderd en twintig provincies Daniël 6:1. Nu waren er honderd zeven en twintig, van Indië tot aan Ethiopië, vers 1, een al te groot rijk, dat mettertijd onder zijn eigen gewicht zal wegzinken en, zoals het gewoonlijk gaat, zijn provincies even spoedig zal verliezen als het ze gewonnen heeft. Als zo'n grote vèr strekkende macht in een slechte hand berust, dan is zij instaat om zoveel te meer kwaad te doen, indien in een goede hand dan kan zij zoveel te meer goeds tot stand brengen. Christus' koninkrijk is, of zal zijn veel groter dan dit rijk, als de koninkrijken van de aarde allen Zijn zullen wezen, en het zal eeuwig zijn.
II. Van de grote praal en pracht van zijn hof. Toen hij op de troon bevestigd was en de hoogmoed zijns harten klom met de grootte van zijn rijk, heeft hij een buitensporig grote feestmaaltijd aangericht, waarvoor hij zich grote onkosten en zeer veel moeite getroostte alleen maar om de rijkdom van de heerlijkheid van zijn rijk en de kostelijkheid van de sieraden van zijn grootheid te vertonen, vers 4. Dit was ijdele roemzucht, een doelloos streven om de ogen te verblinden door pracht en praal, want niemand twijfelde aan de rijkdom van zijn rijk, en niemand poogde met hem te wedijveren in glans en heerlijkheid. Indien hij de rijkdom van zijn rijk en het sieraad van zijn grootheid had getoond zoals sommigen van zijn opvolgers gedaan hebben, door ruimschoots bij te dragen tot het bouwen van de tempel en het onderhouden van de tempeldienst, Ezra 6:8, 7:22, dan zou dit groter nut gehad hebben. Twee feestmaaltijden werden door Ahasveros aangericht:
1. Een voor zijn edelen en vorsten, die honderd en tachtig dagen heeft geduurd, vers 3, 4. Niet dat hij gedurende al die tijd iederen dag dezelfde personen onthaalde, maar de vorsten en edelen van de ene provincie misschien op de ene dag, en die van een andere provincie op een anderen dag, terwijl hij en de personen van zijn gewone hofhouding elken dag vrolijk en prachtig leefden. De Chaldeeuwse paraphrast (die zich veel vrijheid veroorlooft in zijn toevoegselen aan de geschiedenis van dit boek) zegt dat er een opstand was geweest van zijn onderdanen, en dat dit feest gehouden werd als vreugdebetoon wegens de onderdrukking erven.
2. Een ander feestmaal werd aangericht voor al het volk, van de grootste tot de kleinste dat zeven dagen duurde, sommigen waren op de ene dag genodigd, anderen op een andere dag, en daar geen huis groot genoeg was om allen te bevatten, werden zij in het voorhof van de hof van het koninklijk paleis onthaald, vers 5. De behangsels, door welke de onderscheidene ruimten verdeeld waren, of de tenten, die voor het gezelschap waren gespannen, waren zeer fraai en rijk, dat waren ook de bedden of rustbanken, waarop zij zaten, en de vloer onder hun voeten was niet minder prachtig, vers 6. Beter is een gerecht van groen moes in rust en kalmte, alleen of met een vriend, dan deze maaltijd des wijns, met al het gedruis en geraas, dat er wel mee vergezeld moest gaan. III. Van de goede orde, die er in zekere opzichten toch gehouden werd. Wij bevinden niet dat dit feest op dat van Belsazar geleek, waarbij drekgoden geloofd en geprezen werden, en de vaten van het heiligdom werden ontwijd, Daniël 5:3, 4. Maar de Chaldeeuwse paraphrast zegt dat de vaten van het heiligdom op dat feest gebruikt werden, tot grote smart van de vrome Joden. Het was ook niet gelijk aan het feestmaal van Herodes, waarop het hoofd van een profeet voor de laatste schotel bewaard werd.
In het bericht dat van dit feest hier gegeven wordt, zien wij twee prijzenswaardige dingen.
1. Dat er geen dwang was ten opzichte van heildronken, geen aansporing tot drinken. Het drinken geschiedde naar de wet, waarschijnlijk een wet, die kort geleden gemaakt was, dat niemand dwong, neen, zelfs niet door een gedurig voorstellen ervan (zoals Josefus dit verklaart), zij lieten de beker niet rondgaan, maar ieder dronk naar zijn eigen welgevallen, vers 8, zodat, indien er waren die onmatig dronken, dit hun eigen schuld was, een fout, die slechts weinigen zouden begaan, als de order van de koning trekte tot eer van de matigheid. Deze voorzichtigheid van een heidense vorst, zelfs toen hij zijn mildheid en overvloed wilde tonen, kan velen beschamen, die Christenen genoemd worden, die denken dat zij hun goede tafel niet genoegzaam tonen en hun vrienden niet hartelijk genoeg welkom heten, als zij hen niet dronken maken, en onder voorwendsel van heil dronken uit te brengen en de beker te doen rondgaan, de zonde doen rondgaan en daarmee de dood. Er is een wee uitgesproken over hen die dit doen, laat hen het lezen en sidderen, Habakuk 2:15, 16. Het is de mensen van hun verstand te beroven, dat hun kostelijkst juweel is, en hen tot dwazen te maken, het grootste onrecht dat men iemand kan aandoen.
2. Dat er geen gemengd dansen was, want mannen en vrouwen werden afzonderlijk onthaald, niet zoals op Belsazars feest, waarop zijn vrouwen en bijwijven met hem dronken Daniël 5:2, of dat van Herodes, waarop de dochter van Herodias voor hem danste. Vasthi onthaalde haar vrouwen in haar eigen vertrekken, niet in het openbaar in het voorhof van de hof, maar in het koninklijke huis, vers 9. Terwijl aldus de koning de kostbaarheid van het sieraad van zijn grootheid toonde, hebben zij en haar vrouwen de eer getoond van haar ingetogenheid, die in waarheid de majesteit en het sieraad van de schone sekse is.