Esther 2:1-20
Hoe God een, die hoog en machtig was, van haar troon heeft nedergeworpen, lazen wij in het vorige hoofdstuk, en nu wordt ons gezegd hoe Hij een nederige heeft verhoogd, zoals de maagd Maria in haar lied heeft opgemerkt Lukas 1:52, en voor haar Hanna, 1 Samuël. 2:4-8. Vasthi vernederd zijnde om haar hoogheid wordt Esther verhoogd om haar nederigheid.
Merk op:
1. De buitensporige maatregel, die genomen was om de koning te behagen door hem een vrouw te geven in de plaats van Vasthi. Josefus zegt dat hij, toen zijn toorn gestild was, uiterst bedroefd was, dat de zaak zover gedreven was geworden, en zich met Vasthi verzoend zou hebben, indien door de wet van het land het vonnis niet onherroepelijk ware geweest, en dat zij dus, om hem haar te doen vergeten, het plan beraamd hebben om hem eerst met een grote verscheidenheid van bijvrouwen te vermaken, en hem dan één van haar, die hem het meest zou behagen, tot gemalin te doen verheffen in de plaats van Vasthi. De huwelijken van vorsten worden meestal door staatkunde tot stand gebracht ter uitbreiding van hun gebied of om zich door hun verbintenissen te versterken, maar dit huwelijk moet tot stand worden gebracht door het lieflijke, de aantrekkelijkheid van de vrouw, zodat de koning behagen in haar had, ongeacht of zij rijk was of arm edel of onedel. Welk een moeite werd gedaan om de koning te believen! Alsof. zijn macht en rijkdom hem alleen gegeven waren om al de genietingen van de zinnen te kunnen hebben, hoewel die op zijn best slechts als schuim zijn in vergelijking met Goddelijke en geestelijke genietingen.
1. Alle provincies van zijn rijk moeten doorzocht worden om schone jonge maagden te vinden, en er werden beambten aangesteld om ze te kiezen, vers 3.
2. Een huis (een serail) werd ingericht om haar te huisvesten, en een persoon aangesteld om het toezicht over haar te hebben en haar van alles goed te voorzien.
3. Niet minder dan twaalf maanden werden haar toegestaan voor haar reiniging, aan sommigen van haar tenminste, die van het land kwamen, opdat zij zeer rein zouden zijn en geparfumeerd, vers 12. Zelfs zij, die de meesterstukken waren van de natuur, moeten nog al die hulpmiddelen van de kunst aanwenden, om zich voor een wellustige, vleselijk-gezinde man aangenaam te maken.
4. Nadat de koning ze eenmaal op zijn legerstede had genomen, werden zij voor altijd daarna tot een eenzaam leven gedoemd, tenzij het de koning nog eens mocht behagen haar tot zich te laten roepen, vers 14, zij werden beschouwd als bijvrouwen werden aldus door de koning onderhouden, en mochten niet huwen. Uit dit voorbeeld kunnen wij zien tot welke ongerijmde praktijken diegenen vervielen, aan wie geen Goddelijke openbaring geschied was en die, tot straf van hun afgoderijen, overgegeven waren tot oneerlijke bewegingen, de wet van de schepping verbroken hebbende, die voortvloeide uit het feit dat God de mens gemaakt heeft, verbraken zij ook een andere wet, die gegrond was op het feit, dat Hij een man en een vrouw gemaakt heeft. Zie welk een behoefte er was aan het Evangelie van Christus, om de mensen te reinigen van de lusten van het vlees en hen terug te brengen tot de oorspronkelijke inzetting. Zij, die "Christus geleerd hebben," zullen het "schandelijk achten zelfs om" "te spreken van hetgeen door hen gedaan werd" niet alleen heimelijk, maar openlijk Efeziers 5:i2. II. De allesbesturende voorzienigheid Gods, die Esther er aldus toe bracht om koningin te worden. Indien zij het eerst aan Ahasveros als zijn gemalin ware aanbevolen, hij zou het voorstel met minachting hebben afgewezen. Maar als zij op haar beurt tot hem komt na verscheidene anderen, en het bevonden wordt dat velen van haar wel vernuftig en bescheiden, bevallig en aangenaam waren, maar dat Esther die allen overtrof, werd zelfs door haar mededingsters de weg voor haar gebaand om de genegenheid van de koning te winnen, en daarmee de eer en de voorrechten, die er aan verbonden waren. Het is zeker, gelijk bisschop Patrick opmerkt, dat zij, die menen dat zij een grote zonde bedreef om tot die waardigheid te geraken, de zeden en gewoonten van die tijden en landen niet in aanmerking nemen. Ieder, die door de koning op zijn legerstede werd genomen, was aan hem gehuwd, was zijn vrouw van een lageren rang, zoals Hagar van Abraham geweest is, zodat, indien Esther niet tot koningin ware verheven, de zonen van Jakob toch niet behoefden te zeggen, dat hij met hun zuster deed als met een hoer. Betreffende Esther moeten wij opmerken:
1. Haar afkomst en karakter.
A. Zij was een van de kinderen van de gevangenschap, een Joodse maagd, die met haar volk deelde in hun dienstbaarheid. Daniël en zijn metgezellen waren bevorderd geworden in het land van hun gevangenschap, want zij behoorden tot degenen, die God daarheen heeft gezonden "ten goede" Jeremia 24:3.
B. Zij was een wees, haar vader en moeder waren beide gestorven, vers 7, maar toen zij haar hadden verlaten, heeft de Heere haar aangenomen, Psalm 27:10. Als zij, die het ongeluk hebben om aldus in hun kindsheid van hun ouders beroofd te worden, later toch tot uitnemende Godsvrucht en daarbij tot grote voorspoed komen, dan moeten wij dit opmerken tot eer van die God en Zijn genade en voorzienigheid, die onder Zijn eretitels ook die van Vader van de wezen heeft aangenomen.
C. Zij was een schone vrouw, schoon van gedaante en schoon van aangezicht. Haar wijsheid en deugd waren haar grootste schoonheid, maar een diamant komt goed uit als hij goed gezet is.
D. Mordechai, die haar volle neef was, was ook haar voogd, hij voedde haar op en had haar tot een dochter aangenomen. De LXX zeggen dat hij het voornemen had haar te huwen, indien dit zo was, dan was het prijzenswaardig in hem, dat hij haar hogere bevordering niet heeft tegengestaan.
E. Laat God erkend worden in het verwekken van vrienden voor hen, die vader noch moeder meer hebben, laat het een aanmoediging zijn voor zulk een daad van barmhartigheid, dat velen, die de zorg op zich hebben genomen voor de opvoeding van wezen, het beleefd hebben, om goede vruchten te zien van hun zorg en moeite, en dat wel tot hun zeer grote vreugde. Dr. Lightfoot denkt dat deze Mordechai dezelfde is, die genoemd wordt in Ezra 2:2, die met de eersten naar Jeruzalem optoog, en medegewerkt heeft tot de vestiging van zijn volk, totdat de tempelbouw verhinderd werd en tot stilstand kwam, en toen terugging naar het Perzische hof om te zien wat hij daar voor hen zou kunnen doen.
Mordechai, Esthers voogd zijnde, wordt ons gezegd. a. Hoe teder zorgzaam hij voor haar was, alsof zij zijn eigen kind ware geweest, vers 11. Iedere dag wandelde hij voor haar deur, om te weten te komen hoe het haar ging. Laat hen, wier bloedverwanten door Gods voorzienigheid aan hun zorgen zijn toevertrouwd, aldus vriendelijk, liefhebbend en zorgzaam voor hen wezen.
b. Hoe eerbiedig zij jegens hem was, hoewel zij in graad van bloedverwantschap zijn gelijke was, was zij in leeftijd en in haar afhankelijke toestand zijn mindere, en daarom eerde zij hem als haar vader, deed zij zijn bevel, vers 20. Dit is een voorbeeld voor wezen, als zij in de handen komen van hen, die hen liefhebben en voor hen zorgen, dan moeten zij hun dit in dankbare wederliefde en gehoorzaamheid vergelden. Hoe minder hun voogden verplicht waren om voor hen te zorgen, hoe meer zij uit dankbaarheid verplicht zijn hen te eren en te gehoorzamen. Hier is een voorbeeld van Esthers onderdanigheid aan Mordechai: zij heeft haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven, omdat Mordechai haar geboden had dat zij het niet zou te kennen geven, vers 10. Hij heeft haar niet bevolen haar landaard te verloochenen, noch een leugen te zeggen om haar maagschap te verbergen, indien hij dit wèl gedaan had, dan had zij hem hierin niet moeten gehoorzamen, maar hij gebood haar er niet van te spreken, het niet als uit te bazuinen, alle waarheden moeten niet ten allen tijde gezegd worden, hoewel een onwaarheid nooit gezegd mag worden. Daar zij te Susan was geboren en haar ouders overleden waren, dachten allen dat zij van Perzische afkomst was, en zij was niet verplicht hen hieromtrent uit de droom te helpen.
2. Haar bevordering. Wie zou ooit gedacht hebben, dat een Joods meisje, een gevangene, een wees, geboren was om een koningin te zijn? Zo was het echter. God "verheft" soms "de geringe uit het stof om" "te doen zitten bij de vorsten," 1 Samuël. 2:8 S.
A. De kamerling van de koning eerde haar, vers 9, en was bereid haar te dienen, wijsheid en deugd winnen achting. Zij, die zich de gunst van God verzekeren, zullen ook, in zoverre het goed voor hen is, genade vinden in de ogen van de mensen. Allen, die Esther zagen, bewonderden haar, vers 15, en kwamen tot de gevolgtrekking, dat zij de prijs wel winnen zou, en zij won hem ook werkelijk.
B. De koning zelf beminde haar. Zij heeft het niet nodig geacht om haar schoonheid door kunstmiddelen te verhogen, zoals de anderen gedaan hebben, zij begeerde niet met al dan wat haar door de kamerling gezegd was, vers 15, en toch was zij hem het meest welgevallig. Hoe natuurlijker schoonheid is, hoe lieflijker zij is. De koning beminde Esther boven alle vrouwen, vers 17. Nu behoefde hij geen verdere proeven te doen, heeft hij geen tijd tot overweging nodig, hij is weldra tot het besluit gekomen, de koninklijke kroon op haar hoofd te zetten en haar koningin te maken, vers 17. Dit geschiedde in het zevende jaar van zijn regering, vers 16. Vasthi werd van hem gescheiden in zijn derde jaar, Hoofdst. 1:3, zodat hij vier jaren zonder koningin is geweest.
Er wordt nota genomen:
a. Van de eer, die de koning Esther aandeed. Hij vierde de plechtigheid van haar kroning met een groten maaltijd, vers 18, waarop Esther misschien, in onderworpenheid aan de koning, in het openbaar verscheen, hetgeen Vasthi geweigerd had te doen, opdat zij de lof zou hebben voor haar gehoorzaamheid bij dezelfde gelegenheid, waarin aan de andere de afkeuring van haar ongehoorzaamheid te kennen was gegeven. Hij schonk ook de landschappen rust, hetzij een kwijtschelding van achterstallige belastingen, of wel genade aan misdadigers, zoals Pilatus op het feest een gevangene losliet. Dit geschiedde om de algemene vreugde te verhogen.
b. Van de eerbied, die Esther aan haar voormalige voogd bleef bewijzen, nog deed Esther het bevel van Mordechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd, vers 20. Mordechai zat in de poort van de koning, dat was de hoogte van zijn bevordering. Hij was een van de portiers of deurwachters van het hof, of hij die betrekking reeds tevoren bekleed had, of dat Esther haar voor hem had verkregen, wordt ons niet gezegd, daar zat hij tevreden neer, en streefde naar geen hogere plaats, maar Esther, die ten troon was verheven, lette op hem. Dit was een blijk van een nederige en dankbare gezindheid, dat zij van zijn vroegere vriendelijkheid en van zijn voortdurende wijsheid bleef gedenken. Het is een schoon sieraad voor hen, die verhoogd zijn en strekt hun zeer tot lof, als zij hun weldoeners blijven gedenken, en de indrukken van hun goede opvoeding behouden, zichzelf mistrouwen, naar raad willen horen en er dankbaar voor zijn.