Deuteronomium 31:1-8
Wie afkerig is van scheiden (zeggen wij) zegt dikwijls vaarwel. Zo zegt Mozes dikwijls vaarwel aan de kinderen Israëls, niet omdat hij er afkerig van was om tot God te gaan, maar omdat hij afkerig was om van hen te scheiden, vrezende dat zij, als hij hun verlaten had, God zouden verlaten. Wat hij hun te zeggen had bij wijze van raadgeving en vermaning, had hij hun gezegd, hier nu roept hij hen samen om hun een woord van bemoediging te geven, inzonderheid met betrekking tot de oorlogen van Kanaän, die zij nu stonden te beginnen. Het was een ontmoediging voor hen, dat Mozes weggenomen zou worden op een tijd, toen hij zo slecht kon worden gemist. Hoewel Jozua voor hen zou blijven strijden in het dal, zullen zij Mozes niet hebben om voor hen te bidden op de hoogte des heuvels, zoals hij vroeger gedaan heeft, Exodus 17:10. Maar het is niet te verhelpen, Mozes kan niet meer uitgaan en ingaan vers 2. Niet dat hij onbekwaam of ongeschikt was geworden door enigerlei verval of afneming van lichaam of geest, want zijn kracht was niet vergaan, Hoofdstuk 34:7, maar hij kan zien ambt niet langer vervullen, want:
1. Hij is honderd en twintig jaren oud, en het is tijd dat hij er aan denkt zijn eer en waardigheid af te staan en weer te keren tot zijn rust. Hij, die zo hoge leeftijd had bereikt, toen zeventig of tachtig de gewone maat was zoals blijkt uit het gebed van Mozes, Psaim 90:10, mocht wel denken, dat hij als een dagloner zijn dag voleindigd had.
2. Hij is onder het vonnis Gods. Gij zult over deze Jordaan niet gaan. Zo was dus een punt gezet aan zijn dienst, tot hiertoe moet hij gaan, tot hiertoe moet hij arbeiden, maar niet verder. Aldus had God het bepaald, en Mozes berust, want ik weet niet waarom iemand van onze zou begeren een dag langer te leven, dan zolang God werk voor ons te doen heeft, en wij zullen ook niet verantwoordelijk zijn voor meer tijd dan ons toegewezen is. Maar hoewel Mozes niet zelf over de Jordaan moet gaan, is hij toch begerig hen aan te moediger, die het wel moeten.
I. Hij bemoedigt het volk, en nooit kon een legerhoofd zijn soldaten op zó goede gronden bemoedigen, als die waarop Mozes hier Israël moed inspreekt.
1. Hij verzekert hun van de voortdurende tegenwoordigheid Gods onder hen, vers 3. De Heere, uw God, die u tot hiertoe geleid en bewaard heeft, zal voor uw aangezicht overgaan, en zij kunnen vrijmoedig en gerust volgen, die er zeker van waren God tot hun leidsman en aanvoerder te hebben. Hij herhaalt dit nog met nadruk in vers 6. "De Heere, uw God, de grote JHWH, die de uwe is in het verbond, Hij is het, Hij, en geen mindere, Hij, en geen ander, die met u gaat, die, niet slechts door Zijn belofte u verzekerd heeft, dat Hij voor uw aangezicht zal henengaan, maar door Zijn ark, het zichtbare teken van Zijn tegenwoordigheid, u toont dat Hij ook werkelijk voor uw aangezicht henengaat". "En hij herhaalt het met uitbreiding. Hij gaat niet slechts in het begin voor uw aangezicht heen, om u in te brengen, maar Hij zal steeds met u blijven, met u en de uwen, Hij zal u niet begeven noch u verlaten, Hij zal in generlei verlegenheid of benauwdheid u teleurstellen, noch ooit zich uwer belangen onttrekken, wees standvastig met Hem, en Hij zal het met u wezen". Dit wordt door de apostel toegepast op geheel het geestelijk Israël Gods, ter bemoediging van hun geloof en hun hoop, ons is dit Evangelie gepredikt zowel als hun, Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, Hebreeën 13:5.
2. Hij beveelt hun Jozua aan als aanvoerder, Jozua, die zal voor uw aangezicht overgaan, hij is iemand, van wiens gedrag en kloekmoedigheid, en oprechte toewijding aan hun belangen, zij een langdurige ervaring hadden, en die God had verordineerd en gesteld om hun leidsman te zijn en hem daarom ongetwijfeld zal erkennen en zegenen, en tot zegen voor hen zal maken. Zie Numeri 27:18. Het is een grote bemoediging voor een volk, als God in de plaats van nuttige werktuigen, die weggenomen worden, anderen verwekt om hun werk voort te zetten.
3. Hij verzekert hun van welslagen. De grootste veldheren gerugsteund door de grootste voordelen en hulpmiddelen, moeten toch erkennen dat de uitslag van de strijd onzeker is, de strijd is niet altijd van de helden of van de stoutmoedige, een ongelukkig voorval, waaraan niemand dacht en dat door niemand kon voorzien worden, kan tegen alle hoop en verwachting in de krijgskans doen keren. Mozes had volmacht van God om aan Israël te verzekeren, dat zij, in weerwil van alle moeilijkheden en omstandigheden in hun nadeel, toch gewis zullen zegevieren. Een lafaard zal nog strijden, als hij zeker is van de overwinning. God neemt op zich om het werk te doen, Hij zal deze volken verdelgen, en Israël zal weinig anders te doen hebben dan de buit te delen, dat gij hen erfelijk bezit, vers 13. Door twee dingen kan hun hoop hierop aangemoedigd worden.
a. De overwinningen die zij reeds behaald hebben op Sihon en Og vers 4. Hieruit konden zij afleiden beide de macht van God, dat Hij kon doen wat Hij gedaan had, en het voornemen van God, dat Hij zal voleinden wat Hij heeft begonnen. Aldus moeten wij gebruik maken van onze ervaringen.
b. Het bevel, dat God hun gegeven had om de Kanaänieten te verdelgen, Hoofdstuk 7:2, 12:2, waarnaar hij hier verwijst, vers 5. Gij zult hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb, en waaruit zij konden afleiden dat, zo God hun geboden heeft de Kanaänieten te verdelgen Hij hun ongetwijfeld de macht zal geven om het te kunnen doen. Als God ons iets ten plicht heeft gesteld, dan hebben wij reden te verwachten dat Hij ons de gelegenheid en hulp zal geven, die wij nodig hebben om die plicht te volbrengen, zodat hij om dit alles reden genoeg had om hun te zeggen: Weest sterk en heb goeden moed, vers 6. Zolang Gods kracht en macht voor hen was, hadden zij geen reden om te vrezen voor al de machten van Kanaän tegen hen.
II. Hij bemoedigt Jozua, vers 7, 8.
Merk op:
1. Hoewel Jozua een ervaren veldheer was, en een man van beproefde dapperheid en moed, die zich reeds in menige krijgsverrichting had onderscheiden, vond Mozes toch reden om hem te zeggen goede moed te hebben, nu hij een mieuwe werkkring ging intreden, en verre was het van Jozua om het als een belediging op te nemen of als een twijfelen aan zijn kloekmoedigheid, om aldus vermaand te worden, zoals wij soms zien, dat mensen van een misnoegd gemoed op hatelijke wijze vermaningen en waarschuwingen voor verwijtingen en afkeuringen houden. Jozua zelf is zeer tevreden om door Mozes vermaand te worden, sterk te zijn en goeden moed te hebben.
2. Hij geeft hem die last voor de ogen van het hele volk Israël, opdat zij zoveel eerbiediger zullen zijn jegens hem, die zij nu zo plechtig in zijn ambt gesteld zagen, en opdat hij zich des te meer ten voorbeeld van moed zou stellen voor het volk, dat getuige was van de last gegeven aan hem, zowel als aan henzelf. 3. Hij geeft hem dezelfde verzekering van de Goddelijke tegenwoordigheid en bijgevolg van heerlijke voorspoed, die hij aan het volk heeft gegeven. God zal met hem wezen, zal hem niet verlaten, en daarom zal hij voorzeker de grote onderneming tot stand brengen, die hem was opgedragen. Gij zult hun het land van de belofte doen erven. Diegenen zullen voorspoedig zijn, met wie God is en daarom moeten zij goeden moed hebben. Laat ons door God kloeke daden doen, want door Hem zullen wij overwinnen, indien wij de duivel weerstaan, zal hij van ons vlieden en God zal hem haast onder onze voeten verpletteren.