Deuteronomium 24:5-13
I. Hier is een wet tot bewaring en bevestiging van de liefde tussen pas gehuwden, vers 5. Deze wet volgt gevoeglijk op die nopens de echtscheiding, die voorkomen zou zijn, indien hun genegenheid voor elkaar van de beginne af wèl gevestigd was. Als de man in het eerste huwelijksjaar veel van huis is, dan loopt zijn liefde voor haar gevaar van af te koelen en naar anderen afgetrokken te worden die hij elders zou ontmoeten. Daarom zal hij van dienst in de oorlog, of in gezantschappen, of voor andere publieke zaken, die hem van huis roepen, vrijgesteld worden, opdat hij de vrouw, die hij genomen heeft, zal kunnen verheugen. Het is van zeer groot belang, dat de liefde tussen de echtgenoten in stand worde gehouden, en dat alles zeer zorgvuldig worde vermeden, wat hen van elkaar zou kunnen vervreemden, inzonderheid in het begin want als er in die betrekking de liefde niet is die er moest wezen, dan is de deur opengezet voor allerlei schuld en smart. Eén van de plichten van echtelieden is elkaar te verheugen en te bemoedigen onder de zorgen en wederwaardigheden des levens, medewerkers te zijn van elkanders blijdschap, want een blij hart zal goed doen als een medicijn.
II. Een wet tegen het stelen van een mens vers 7. De wet van Mozes heeft op het stelen van vee of goederen de doodstraf niet gesteld, maar het stelen van een kind, of van een zwak of onnozel man, of van iemand, die men in zijn macht had, en hem te verkopen, dat was een halsmisdaad, en kon niet, als andere diefstallen verzoend worden door vergoeding, zoveel gaat een mens een schaap te boven Mattheus 12:12. Het was een zeer snode, ergerlijke misdaad, want:
1. Het was het publiek te beroven van een van zijn leden.
2. Het was iemands vrijheid weg te nemen de vrijheid van een vrijgeboren Israëliet, die na het leven de meeste waarde voor hem had.
3. Het was iemand weg te drijven van het erfdeel des lands, op welks voorrechten hij recht had, en hem te zeggen heen te gaan en andere goden te dienen, zoals David klaagt over Saul, 1 Samuël 26:19.
III. Een herinnering betreffende melaatsheid, vers 8, 9.
1. De desbetreffende wetten moeten zeer zorgvuldig worden nagekomen, wij hadden die in Leviticus 13:14. Zij worden hier gezegd geboden te zijn aan de Levietische priesteren, en daarom worden zij niet herhaald in een rede tot het volk, maar aan het volk wordt hier geboden om zich in geval van melaatsheid overeenkomstig de wet, tot de priester te wenden, en naar zijn oordeel, in zover het overeenstemde met de wet, te doen. Daar de plaag van de melaatsheid gewoonlijk een bijzonder teken van Gods misnoegen wegens zonde was moest hij, in wie de verschijnselen er van zichtbaar werden, haar niet verbergen of er de tekenen van wegsnijden, of zich om hulp en genezing tot een medicijnmeester wenden, hij moest naar de priester gaan en zijn voorschriften en bevelen volgen. Zo moeten ook zij, wier geweten gedrukt wordt door de bewustheid van schuld en toorn, het niet bedekken, niet pogen hun overtuiging van zonde van zich af te schudden, maar door berouw en gebed en een ootmoedige belijdenis de aangewezen weg volgen tot vrede en vergeving. 2. Het geval van Mirjam, die met melaatsheid werd geslagen om haar twisten met Mozes, moet niet worden vergeten. Het was een verklaring van de wet op melaatsheid. Gedenkt er aan, en:
a.Hoedt u van te zondigen naar de gelijkheid van haar overtreding, opdat niet hetzelfde oordeel over u kome.
b. "Indien iemand van u met melaatsheid wordt geslagen, denkt niet dat gij niet naar de wet behandeld zult worden, vindt het niet hard buiten het leger gesloten te zullen worden en aldus tot een schouwspel gemaakt, het is niet te verhelpen. Mirjam zelf, hoewel zij een profetes en de zuster van Mozes was, werd er niet van vrijgesteld, maar genoodzaakt zich aan die strenge tucht te onderwerpen, toen zij onder deze Goddelijke bestraffing was". Zo hebben David, Hizkia, Petrus en andere grote mannen zich verootmoedigd toen zij gezondigd hadden de smart en schaamte aangenomen, laat ons niet verwachten op gemakkelijker voorwaarden verzoend te worden.
IV. Noodzakelijke orders met betrekking tot panden voor geleend geld. Het wordt hun niet verboden panden aan te nemen, welke hem, die ter leen geeft, waarborgen tegen verlies, en hem die ter leen ontvangt noodzaken eerlijk te zijn. Maar:
1. Zij moeten de molensteen niet als onderpand nemen, vers 6, want daarmee maalden zij het koren, dat brood moest worden voor het gezin, of, zo het een openbare molen was, dan verdiende de molenaar het brood, het onderhoud van zijn gezin er mede, en zo verbiedt dus de wet om iets te pand te nemen, welks gemis iemand in gevaar bracht zijn levensonderhoud te verliezen. In overeenstemming hiermede is de aloude algemene wet in Engeland, welke verbiedt om gereedschappen of instrumenten, waarmee iemand zijn beroep uitoefent, als pand te nemen, zoals de bijl van een timmerman of de boeken van een geleerde, of beesten die voor de ploeg gespannen worden, zolang hij nog andere dieren heeft, die beter gemist kunnen worden. (Coke 1. Inst. fol. 47.) Dit leert ons met het welzijn van anderen te rade gaan evenzeer als met ons eigen voordeel. De schuldeiser, die er niets om geeft dat zijn schuldenaar met zijn gezin van honger omkomt, er zich niet om bekommert wat er van hem worden zal, zo hij slechts zijn geld krijgt of tegen het verlies er van gewaarborgd is, handelt niet slechts in tegenspraak met de wet van Christus, maar zelfs met die van Mozes.
2. Zij moeten niet in het huis gaan van hem die ontleent, om het pand te halen, maar moeten buiten staan, en hij moet het naar buiten brengen, vers 10, 11. Die ontleent, zegt Salomo, is des leners knecht, opdat nu de lener geen misbruik make van het voordeel, dat hij over hem heeft, om er zijn eigen belang mee te bevorderen, is er bepaald dat hij niet mag nemen wat hem gelieft, maar wat de ontlener het best kan missen. Iemands huis is zijn kasteel, ook zelfs het huis van de arme man is dit en wordt hier onder de bescherming van de wet genomen.
3. Dat nooit het beddekleed van een arme te pand mag genomen worden, vers 12,13. Dit hadden wij tevoren in Exodus 22:26,27, Als het des morgens aangenomen werd, moest het des avonds teruggebracht worden, hetgeen eigenlijk zeggen wil, dat het in het geheel niet genomen mocht worden. "Laat de armeschuldenaar in zijn eigen kleed nederliggen en u zegenen," dat is:, "voor u bidden, en God loven voor uw vriendelijkheid jegens hem." Arme schuldenaars moeten zich bewust zijn (meer dan zij gewoonlijk zijn) van de goedheid van die schuldeisers, die niet al het voordeel van de wet tegen hen inroepen, en hun vriendelijkheid vergelden door hun gebeden voor hen, als zij niet bij machte zijn om ze op een andere wijze te vergelden. Ja meer, "gij zult niet slechts de gebeden en goede wensen hebben van uw armen broeder, maar het zal u gerechtigheid wezen voor het aangezicht des Heeren, uws Gods," dat is: Het zal aangenomen en beloond worden als een daad van barmhartigheid jegens uw arme broeder en gehoorzaamheid aan uw God, als een blijk dat gij u in oprechtheid gedraagt naar de wet. Hoewel het door de mensen als een daad van zwakheid kan beschouwd worden om de waarborg af te geven die gij had, dat de schuld u betaald zou worden, zal het door uw God beschouwd worden als een daad van goedheid, die haar loon geenszins zal verliezen.