Deuteronomium 24:1-4
Dit is nu het verlof, de toelating, waarop de Farizeeën verkeerd wezen als op een gebod, Mattheus 19:7. Mozes heeft geboden haar een scheidbrief te geven, het was niet zo, onze Heiland zei hun dat hij het slechts heeft toegelaten vanwege de hardheid van hun harten, uit vrees dat zij met hardheid over hun vrouwen geheerst, of wellicht ze gedood zouden hebben, indien zij geen vrijheid hadden om te scheiden. Waarschijnlijk waren echtscheidingen reeds vroeger in gebruik, dit wordt als een aangenomen zaak beschouwd in Leviticus 21:14, en Mozes achtte het nodig er enige regelen voor vast te stellen.
1. Dat een man niet van zijn vrouw mag scheiden, tenzij hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft. Het was niet genoeg te zeggen dat hij niet van haar hield, of dat hij meer hield van een andere, maar hij moet een reden aantonen voor zijn mishagen in haar, iets waardoor zij onaangenaam en aanstotelijk voor hem was, of schoon het haar voor iemand andere niet onaangenaam behoefde te maken. Dit schandelijke moet iets zijn, dat minder was de overspel, want daarvoor zou zij ter dood moeten gebracht worden, en minder dan het vermoeden, de verdenking er van, want in dat geval zou hij haar het bitter water van de ijveringen kunnen laten drinken, maar het betekent of een lichtzinnigheid van gedrag, of een gemelijkheid van gemoedsaard, of wel de een of andere walglijke kwaal, ja, sommige Joodse schrijvers menen dat een stinkende adem al reden genoeg was om echtscheiding te vorderen. Wat er nu ook mee bedoeld zij, blijkbaar was het iets van belang, zodat de latere Joodse leraars gedwaald hebben, die echtscheidingen toelieten om allerlei oorzaak. al was die nog zo beuzelachtig, Mattheus 19:3.
2. Dat het niet mondeling, niet door het gesproken woord moest geschieden, want dat woord zou in haast kunnen gesproken zijn, maar schriftelijk, en dat wel in behoorlijke vorm, en plechtig verklaard voor getuigen, dat het zijn eigen, vrijwillige, wel overwogen daad was, hetgeen dus een werk was van tijd, en nog ruimte liet voor na denken, zodat het niet roekeloos of in overijling gedaan werd.
3. Dat de echtgenoot dit geschrift in de hand van zijn vrouw moet geven en haar wegzenden, hetgeen, naar sommigen denken, hem verplichtte haar te begiftigen, of behoorlijk te verzorgen overeenkomstig haar staat, dat een hulp voor haar kon wezen, om te hertrouwen, hiervoor was een goede reden, daar de oorzaak van de twist niet haar schuld, maar haar ongeluk was.
4. Dat het haar geoorloofd was te hertrouwen, vers 2. De scheiding had het huwelijk even volstrekt ontbonden als de dood het zou ontbonden hebben, zodat zij even vrij was om te huwen, als wanneer haar echtgenoot gestorven was.
5. Dat zij, indien haar tweede echtgenoot stierf of haar een scheidbrief gaf, wel voor de derde maal mocht huwen, maar dat haar eerste echtgenoot haar nooit weer tot zich mocht nemen, vers 3, 4, dat hij wel had mogen doen indien zij geen andere getrouwd had, want door deze haar daad had zij voor altijd afstand van hem gedaan, en voor hem moest zij dan als verontreinigd beschouwd worden hoewel niet voor een ander. De Joodse schrijvers zeggen, dat dit was om een uiterst lage en slechte gewoonte te voorkomen, in gebruik bij de Egyptenaren, namelijk van vrouwen te ruilen, of wellicht was het om te voorkomen, dat mannen in onbezonnenheid een scheidbrief gaven aan hun vrouwen, want de aldus gescheidene vrouw zou, in wraakoefening, terstond met een ander kunnen huwen, en de man, die haar had weggezonden, zou, hoe hij ook dacht zijn lot te verbeteren door een andere keuze kunnen bevinden, dat de tweede nog erger is dan de eerste was, nog iets onaangenamers had, zodat hij zijn eerste vrouw terugverlangde. "Neen", zegt deze wet, "gij zult haar niet hebben, gij hadt haar moeten houden, toen gij haar had". Het is het beste om tevreden te wezen met hetgeen wij hebben, daar veranderingen uit ontevredenheid dikwijls blijken verslimmeringen te zijn. Het ongerief, dat wij kennen, is gewoonlijk beter, hoewel wij geneigd zijn te denken dat het erger is, dan het ongerief, dat wij niet kennen. Door de strengheid van deze wet toont God ons de rijkdom van Zijn genade, in Zijn bereidwilligheid om verzoend te zijn met Zijn volk, dat van Hem afgehoereerd heeft, Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd, keer nochtans weer tot Mij, spreekt de Heere, Jeremia 3:1, want Zijn gedachten en wegen zijn hoger dan de onze.