Deuteronomium 23:1-8
De uitleggers zijn het niet eens met elkaar omtrent hetgeen hier bedoeld wordt met: in de vergadering des Heeren te komen, dat hier verboden wordt aan gesnedenen en bastaarden Ammonieten en Moabieten tot in eeuwigheid maar Edomieten en Egyptenaren slechts tot in het derde geslacht.
1. Sommigen denken dat zij hierdoor uitgesloten werden van gemeenschap te oefenen met het volk van God in hun Godsdienstoefeningen, hoewel besnedenen en bastaarden erkend werden als leden van de kerk, en de Ammonieten en Moabieten besneden konden worden en tot de Joodse Godsdienst overgaan, moesten zij en hun geslacht toch enigen tijd onder de tekenen van oneer zijn, gedenkende de rotssteen, waar zij uit gehouwen waren, en niet zo nabij het heiligdom komen als anderen, en ook niet zo'n vrije omgang hebben met Israëlieten.
2. Anderen denken dat zij hierdoor buitengesloten worden van enigerlei ambt in de gemeente, geen van deze mochten oudsten of rechters wezen, opdat de eer van de magistratuur er niet door bevlekt worde.
3. Nog anderen denken dat zij er slechts door uitgesloten werden om met Israëlieten te trouwen. Aldus is de geleerde bisschop Patrick geneigd het op te vatten, maar wij bevinden dat, toen deze wet na de ballingschap ten uitvoer werd gelegd, zij niet alleen de vreemde vrouwen, maar ook alle vermenging van Israël afscheidden. Zie Nehemia 13:1-3. Met de dochteren van deze volken, (behalve echter de Kanaänietische volken) schijnen de Israëlietische mannen te hebben mogen huwen, als zij volkomen tot de Joodse Godsdienst waren overgegaan, maar met de mannen van deze natiën mochten de dochteren Israëls niet huwen, en die mannen konden ook niet genaturaliseerd worden, behalve in sommige uitgezonderde gevallen, die hier genoemd zijn.
In het algemeen is het duidelijk dat hier oneer gelegd wordt:
A. Op bastaards en gesnedenen, vers 1, 2. Door bastaarden verstaan hier de Joodse schrijvers niet allen, die uit hoererij geboren zijn of buiten het huwelijk, maar allen, die uit de bloedschendige vermengingen voortkwamen, welke verboden zijn in Leviticus 18. En hoewel het niet de schuld was van de kinderen, die daaruit geboren werden, was het toch om de mensen van zulke onwettige huwelijken en ongeoorloofde lusten terug te houden zeer voegzaam en gepast, dat er aldus schande rustte op hun nageslacht. Naar deze regel was Jeftha, hoewel de zoon van een hoer, van een vreemde vrouw, Richteren 11:1, 2, toch geen bastaard in de zin van deze wet. En wat betreft de gesnedenen, schoon zij door deze wet als dorre bomen buiten de wijngaard schenen geworpen, waarover zij klagen, Jesaja 56:3, wordt hier toch beloofd, Jesaja 56:5, dat, zo zij zorgden voor hun plicht jegens God voorzover zij toegelaten waren, door Zijn sabbaten te houden en te verkiezen hetgeen waar Hij lust in had, het gemis van dit voorrecht hun vergoed zou worden door zulke geestelijke zegeningen als die hun recht zouden geven op een eeuwige naam.
B. Op de Ammonieten en Moabieten, de nakomelingen van Lot, die terwille van zijn uitwendig voordeel en gemak zich van Abraham had afgescheiden, Genesis 13:11. En wij bevinden niet dat hij of de zijnen zich ooit weer bij de kinderen des verbonds gevoegd hebben. Hier worden zij afgesneden tot in het tiende geslacht, dat is (naar sommigen denken dat het verklaard wordt) tot in eeuwigheid. Vergelijk Nehemia 13: 1. De reden van deze twist die Israël met hen moet hebben, zodat zij hun vrede niet moeten zoeken, vers 7, is: de onvriendelijkheid, die zij nu onlangs aan het leger Israëls hebben bewezen, in weerwil van de orders, die God aan Israël had gegeven, om hun geen schade of overlast aan te doen, Deuteronomium 2:9, 19.
a. Het was al slecht genoeg, dat zij hun op de weg niet tegengekomen zijn met brood en water, vers 4, dat zij niet als bondgenoten of tenminste als onzijdige staten, levensmiddelen naar hun kamp brachten, waarvoor zij behoorlijk betaald zouden zijn. Het was gelukkig dat de God van Israël hun vriendelijkheid niet nodig had, God zelf volgde hen met brood en water. Toch moet dit verzuim in latere eeuwen tegen hun natie herdacht worden. God zal gewis afrekenen, niet alleen met hen, die Zijn volk tegenstaan, maar ook met hen, die heil niet helpen en bijstaan, als zij er de macht en de gelegenheid toe hebben. In de grote dag is het een verzuim, een nalaten, waartegen de aanklacht gericht is: Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven.
b. De Moabieten deden nog erger, zij huurden Bileam om hen te vloeken, vers 4. Weliswaar, God heeft de vloek in een zegen veranderd, vers 5 niet slechts het woord in Bileams mond veranderende, maar werkelijk datgene tot eer en voordeel van Israël verkerende, hetwelk bestemd was tot hun verderf. Maar hoewel het plan verijdeld en ten beste gekeerd werd was de boosheid van de Moabieten er niet minder tergend om. God zal met zondaars handelen, niet slechts naar hun doen, maar ook naar hun pogen, Psalm 28:4.
C. De Egyptenaren en Edomieten is het merk van Gods ongenoegen niet zo diep ingedrukt, als de Moabieten en Ammonieten. Als een Egyptenaar of Edomiet proseliet werd dan werden zijn kleinkinderen als leden van de gemeente des Heeren aangemerkt en dat wel in alle opzichten, vers 7, 8. Wij zouden denken dat de Edomieten aan de Israëlieten meer schade en nadeel hebben toegebracht de de Ammonieten, en even weinig gunst van hen verdienden, en toch, "de Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, zoals de Ammoniet, want hij is uw broeder". De onvriendelijkheid van nabestaanden, hoewel door velen het meest euvel opgenomen, behoort toch door ons, om dat zij nabestaanden zijn, het eerst vergeten te worden, en wat nu de Egyptenaar betreft, er wordt hier een vreemde reden gegeven, waarom hij niet voor een gruwel gehouden moet worden: want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land, en daarom, hoewel gij er hard behandeld werd, weest beleefd jegens hem om de wille van oude bekendschap met hem. Zij moeten niet gedenken hun dienstbaarheid in Egypte om wrok tegen de Egyptenaren te koesteren, maar slechts om Gods macht en goedheid te verheerlijken in hun verlossing.