Deuteronomium 22:1-4
Hier wordt geëist dat de vriendelijkheid die aan een vijand bewezen moet worden, Exodus 23:4, nog zoveel te meer betoond zal worden aan een buur, al was deze ook geen Israëliet want de wet is in overeenstemming met de natuurlijke billijkheid.
1. Dat verdwaald vee teruggebracht moet worden, hetzij aan de eigenaar, of in de weide waaruit het weggedwaald was, vers 1,2. Dit moest gedaan worden uit medelijden met het vee, dat zolang het dwaalde aan gevaar was blootgesteld, en uit beleefdheid en achting voor de eigenaar, ja meer, in gerechtigheid jegens hem, want dit was doen zoals wij wensen, dat ons gedaan zal worden, hetgeen een van de fundamentele wetten van de billijkheid is. De Godsdienst leert ons vriendelijke, goede buren te zijn, bereid te wezen om, als wij er de gelegenheid toe hebben, goede diensten te bewijzen aan alle mensen. Dit doende, moesten zij geen moeite ontzien, maar, als zij wisten wie de eigenaar was van het verdwaalde dier, dan moesten zij zelf het hem terugbrengen, want indien zij de eigenaar alleen bericht zenden dat hij het moet komen halen, dan zou aan het dier een ongeval kunnen overkomen, eer hij het bereiken kan. Zij moeten geen onkosten ontzien, maar, zo zij niet wisten wie de eigenaar was, dan moesten zij het naar hun eigen huis brengen en het voeden, totdat de eigenaar gevonden is. Indien er nu zo'n zorg gedragen moet worden voor de verdwaalden os of ezel van de naaste, hoeveel te meer dan niet als deze zelf wegdwaalt van God en zijn plicht dan moeten wij alles doen wat wij kunnen om hem te bekeren, Jakobus 5:19, hem terecht te brengen, ziende op onszelf, Galaten 6:1.
2. Dat verloren goederen de eigenaar teruggebracht moeten worden, vers 3. De Joden zeggen: "Hij, die verloren goederen vond, moest er openlijk drie- of viermaal door de gewone omroeper kennis van laten geven", naar de gewoonte onder ons, indien de eigenaar niet kon gevonden worden, dan mocht hij, die de goederen gevonden had, ze tot zijn eigen gebruik aanwenden, maar (zeggen sommige geleerde schrijvers) hij zou wel doen om de waarde van die goederen aan de armen te geven.
3. Dat vee, hetwelk gevallen of op andere wijze in gevaar is gekomen, geholpen moet worden, vers 4. Dit moet geschieden in mededogen met de dieren, want de rechtvaardige geeft acht op het leven van zijn beesten, Spreuken 12:10, ook op die de zijnen niet zijn, en in liefde en vriendschap voor een nabuur, niet wetende hoe spoedig wij zijn hulp nodig kunnen hebben. Indien een lid tot het andere zou kunnen zeggen: "ik heb u voor het ogenblik niet nodig", dan kan het toch niet zeggen: "Ik zal u nooit nodig hebben".