Deuteronomium 1:19-46
Mozes herhaalt hier uitvoerig de geschiedenis van de noodlottige keer in hun zaken door hun eigen zonde en Gods toorn, toen dit gehele geslacht van de grenzen van Kanaän, van de eer om het te veroveren en het genot van het te bezitten, teruggedreven werd naar de woestijn, waar later hun dode lichamen gevallen zijn. Het was een gedenkwaardige geschiedenis, wij lazen haar in Numeri 13 en 14, maar wij vinden hier onderscheidene bijzonderheden, die daar niet verhaald zijn.
I. Hij herinnert hen aan hun tocht van Horeb naar Kades-Barnea, vers 19, door die grote en vreselijke woestijn. Hier neemt hij nota van:
1. Om hen de grote goedheid van God jegens hen te doen beseffen, door hen in zo'n grote woestijn te leiden, en te beschermen tegen het kwaad, waarvan zij in zo vreselijke woestijn omringd waren. De herinnering aan onze gevaren moet ons dankbaar maken voor onze uitreddingen.
2. Om de dwaasheid te doen uitkomen van hen, die in hun ontevredenheid naar Egypte hadden willen terugkeren door de woestijn, hoewel zij de leiding Gods hadden verbeurd en geen reden hadden om haar voor die terugtocht te verwachten.
II. Hij toont hun hoe ver zij toen reeds op weg waren naar Kanaän, vers 20, 21. Met blijdschap had hij hun gezegd: het land is voor uw aangezicht, trekt op, bezit het erfelijk. Hij laat hun zien hoe dicht zij er aan toe waren, om gelukkig gevestigd te zijn, toen zij zelf een grendel voor hun deur hebben geschoven, opdat zij zouden zien hoe uiterst zondig hun zonde was. Het zal het eeuwige verderf van de geveinsden verzwaren, dat zij niet ver van het koninkrijk Gods waren, en toch achtergebleven zijn, Markus 12:34.
III. Hij legt de schuld van het zenden van de verspieders op hen, hetgeen niet is gebleken in Numeri. Daar wordt in hoofdst. 13:1, 2 gezegd dat de Heere hun uitzending had bevolen, maar hier bevinden wij dat het volk dit het eerst had verlangd, en dat God, in het toe te laten, hen heeft overgegeven in het goeddunken huns harten, vers 22. Gij zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht henenzenden. Mozes had hun Gods woord gegeven, vers 20, 21. Maar zij konden er niet toe komen om daarop te vertrouwen, menselijk beleid en overleg stelden zij hoger dan de wijsheid Gods, en zij wilden met een kaars de zon bijlichten. Alsof het niet genoeg was, dat zij er zeker van waren een God te hebben, die voor hun aangezicht heengaat, moeten zij ook mannen voor hun aangezicht henenzenden.
IV. Hij herhaalt voor hen het rapport dat de verspieders hebben uitgebracht omtrent het kostelijke en de deugdelijkheid van het land, dat zij hebben bezichtigd, vers 24, 25. De zegeningen, die God beloofd heeft, zijn inderdaad zeer kostelijk en zeer begerenswaardig, de ongelovigen zelf rechters zijnde. Nooit heeft iemand het Heilige Land gezien, of hij moest erkennen dat het een goed land is. Maar de moeilijkheden om het te veroveren stellen zij voor als onoverkomelijk, vers 28, alsof het ijdel was te denken, om de strijd met de inwoners aan te binden, hetzij door hun slag te leveren in het open veld, want het volk is groter en langer dan wij, hetzij door belegering, want de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe, een hyperbole (overdreven uitdrukking), waarvan zij gebruik maakten om hun boos doel te bereiken, namelijk het volk te ontmoedigen, en wellicht wilden zij zich zelfs tegen de God des hemels keren, alsof zij instaat waren Hem te tarten zoals de Babelbouwers, waarvan de top van de toren tot aan de hemel moest reiken, Genesis 11:4. Alleen die plaatsen zijn gesterkt tot in de hemel, die van Gods gunst omringd zijn als met een rondas (schild).
V. Hij verhaalt hun welke moeite hij zich heeft gegeven om hen te bemoedigen, vers 29. Toen zei ik tot u: Verschrikt niet. Mozes heeft genoeg redenen aangevoerd om het oproer te stillen, en hen met het aangezicht naar Kanaän gericht te houden. Hij verzekerde hun dat God met hen was en voor hen zou strijden, vers 30. Als bewijs van Zijn macht over hun vijanden, wijst hij op hetgeen zij gezien hadden in Egypte, waar hun vijanden in alles in het voordeel waren tegenover hen, en toch vernederd werden en gedwongen om te buigen, vers 30. En als bewijs van Gods liefde voor hen en de wezenlijke goedheid, die Hij hun wilde betonen, wijst hij op hetgeen zij gezien hadden in de woestijn, vers 31, 33, door welke zij geleid werden door het oog van de Goddelijke wijsheid in een wolk-en vuurkolom, die zowel hun reizen bestuurde als hun rust regelde, hoe zij gedragen werden in de armen van de Goddelijke genade, met evenveel zorg en tederheid, als ooit een kind gedragen werd in de armen van een voedstervader. En was er nu nog reden om God te mistrouwen? Of waren zij niet het ondankbaarste volk van de wereld, die na zulke merkbare tekenen van Gods goedheid hun hart verhardden ten dage van de verzoeking? Mozes had eenmaal geklaagd dat God hem gelast had dit volk te dragen, gelijk een voedstervader de zuigeling draagt Numeri 11:12. Maar hier erkent hij dat het God was, die hen aldus heeft gedragen, en misschien wordt hiernaar verwezen in Handelingen 13:18, waar Hij gezegd wordt hen, of hun zeden, te hebben verdragen in de woestijn.
VI. Hij legt hun de zonde ten laste, waaraan zij zich bij die gelegenheid schuldig hebben gemaakt. Hoewel zij, tot wie hij nu sprak, een nieuw geslacht waren, richt hij het verwijt toch tot hen: gij waart weerspannig en gij murmureerdet, want velen van hen bestonden toen reeds, hoewel onder de twintig jaren oud, en misschien hebben zij wel meegedaan in de muiterij, en de overigen hebben de ondeugden van hun vaderen geërfd. Let op hetgeen, waarvan hij hen beschuldigt:
1. Ongehoorzaamheid en weerspannigheid tegen Gods wet: Gij wildet niet optrekken, maar gij waart de mond des Heeren weerspannig, vers 26. Het verwerpen van Gods gunst is in werkelijkheid een rebelleren tegen Zijn gezag.
2. Hatelijke verdenkingen van Gods goedheid. Zij opperden het laaghartig denkbeeld: Omdat de Heere ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, vers 27. Wat kon meer ongerijmd, meer onwaar en meer smadelijk zijn voor God?
3. Op de bodem van dit alles was een ongelovig hart, vers 32. Gij geloofde niet in de Heere, uw God. Al uw ongehoorzaamheid aan Gods wetten en uw mistrouwen van Zijn macht en goedheid komen voort uit het niet geloven van Zijn woord. Wèl staat het slecht met ons geschapen, als de God van de eeuwige waarheid niet geloofd kan worden.
VII. Hij spreekt van het vonnis, dat wegens die zonde over hen geveld werd, en waarvan zij de voltrekking hadden gezien.
1. Alleen waren zij veroordeeld om in de woestijn te sterven, en niemand van hun mocht in Kanaän komen, behalve Kaleb en Jozua, vers 34, 36. Zolang moeten zij omdwalen in de woestijn, dat de meesten van hen naar de loop van de natuur zullen sterven, en de jongsten van hen werden afgesneden. Aldus hebben zij niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. Het was niet de overtreding van de geboden van de wet, die hen buiten Kanaän sloot, neen, zelfs niet het gouden kalf, maar hun ongeloof aan die belofte, welke een type was van de Evangeliegenade, om aan te duiden, dat geen zonde ons ten verderve zal brengen dan de zonde van ongeloof, die een zonde is tegen het geneesmiddel.
2. Mozes zelf is later om Gods ongenoegen gevallen, wegens een haastig woord, waartoe zij hem door hun terging geprikkeld hadden, vers 37, Ook vertoornde zich de Heere op mij om uwentwil. Omdat geheel het oude geslacht moet heengaan, moet Mozes zelf niet achterblijven. Hun ongeloof heeft de dood in het leger gebracht, en daar binnengetreden zijnde valt zelfs Mozes onder de last, die hem is opgedragen.
3. Toch is hier barmhartigheid gemengd met het oordeel.
a. Mozes mag hen niet in Kanaän brengen, maar Jozua zal dit doen, vers 38. Sterk hem, want anders zou hij de moed niet hebben om een regering op zich te nemen, onder welks gewicht hij Mozes zelf ziet vallen, maar laat hem er van verzekerd wezen, dat hij hetgeen, waartoe hij geroepen is, tot stand zal brengen. Hij zal het Israël doen erven. Evenzo: wat van de wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, dat heeft Jezus, onze Jozua, gedaan door een betere hoop teweeg te brengen.
b. Hoewel dit geslacht niet in Kanaän zal komen, zal toch het volgende geslacht er in komen, vers 39. Gelijk zij ter wille van hun vaderen waren uitverkoren, zo zouden hun kinderen rechtvaardiglijk om hunnentwil verworpen zijn kunnen worden. Maar de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
VIII. Hij herinnert hen aan hun dwaze en vruchteloze poging om dit vonnis herroepen te krijgen.
1. Zij beproefden het door hierin beterschap te tonen, zij hadden geweigerd tegen de Kanaänieten op te trekken, en nu wilden zij in der haast optrekken, en gordden hiertoe hun wapenrusting aan, vers 41. Zo zullen, als de deur gesloten en de dag van de genade voorbij is, er gevonden worden, die buiten staan en kloppen. Maar hetgeen de schijn had van een verbeterde gezindheid, bleek slechts nog meer rebellie te zijn. God had door Mozes de poging verboden, vers 42, maar zij handelden trotselijk, en togen op naar het gebergte, vers 43, nu handelende in minachting van de bedreiging, zoals zij tevoren gehandeld hadden in minachting van de belofte, alsof zij geheel beheerst werden door een geest van tegenspraak, en dienovereenkomstig was dan ook het gevolg, vers 44, zij werden vervolgd en verpletterd, en door deze nederlaag, nadat zij God door hun murmureren en hun weerspannigheid er toe gebracht hadden hen te verlaten, werd hun te verstaan gegeven welke voorspoed zij hadden kunnen hebben, als zij in Zijn liefde waren gebleven.
2. Zij beproefden het door hun tranen en gebeden, vers 45. Zij kwamen weer en weenden voor het aangezicht des Heeren. Toen zij morden en twistten, hebben zij in die nacht geweend, Numeri 14:1. Toen weenden zij tranen van rebellie tegen God, nu weenden zij tranen van berouw en verootmoediging voor God. Tranen van ontevredenheid moeten telkens weer geweend worden, de droefheid van de wereld werkt de dood, en daar moet berouw van getoond worden. Zo is het niet met de droefheid naar God, die zal eindigen in blijdschap. Maar hun wenen leidde tot niets. De Heere verhoorde uw stem niet, omdat gij naar Zijn stem niet hebt willen luisteren, het raadsbesluit was uitgegaan en, evenals Ezau, vonden zij geen plaats des berouws, hoewel zij haar met tranen zochten.