Deuteronomium 14:1-21
Mozes zegt hier aan het volk van Israël:
I. Hoe God hen als een bijzonder volk geëerd had met drie onderscheiden voorrechten, die hun tot eer waren, en typen geweest zijn van die geestelijke zegeningen in hemelse dingen waarmee God ons in Christus gezegend heeft.
1. Hier is uitverkiezing: u heeft de Heere verkoren, vers 2. Niet om hun eigen verdienste, of om enigerlei goed, dat Hij in hen voorzag, maar omdat Hij de rijkdom van Zijn macht en genade onder hen wilde verheerlijken. Hij heeft hen niet verkoren, omdat zij door hun eigen overgave en onderworpenheid Hem boven alle andere volken een eigen, bijzonder volk waren, maar opdat zij Hem dit door Zijn genade zijn zouden, en aldus zijn ook de gelovigen uitverkoren, Efeziers 1:4.
2. Hier is aanneming, vers 1. Gijlieden zijt kinderen des Heeren uws Gods, door Hem geformeerd tot een volk, door Hem erkend als Zijn volk, ja, als Zijn gezin, een volk, dat Hem nabij is, meer nabij dan enig ander volk. Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, niet omdat Hij kinderen behoefde, maar omdat zij wezen waren, en een vader behoefden. Ieder Israëliet is waarlijk een kind van God, delende in Zijn natuur en gunst, Zijn liefde en Zijn zegen. Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft!
3. Hier is heiligmaking, vers 2. "Gij zijt een heilig volk, Gode afgezonderd, gewijd aan Zijn dienst, bestemd tot Zijn lof, geregeerd dooreen heilige wet, begunstigd met een heilige tabernakel en de heilige inzettingen er van." Gods kinderen zijn verplicht heilig te wezen, en indien zij heilig zijn, dan zijn zij dit verschuldigd aan de genade Gods, die hen heilig maakt. De Heere heeft hen zich afgezonderd, hen bekwaam gemaakt tot Zijn dienst en tot de genieting van Hem, en aldus heeft Hij hen zich geheiligd.
II. Hoe zij zich behoren te onderscheiden van alle volken, die rondom hen zijn, en wel door een eigenaardige soberheid. En daar nu God hen aldus verhoogd heeft, moeten zij zich niet verlagen door de bijgelovige gewoonten aan te nemen van afgodendienaars en zich met hen gelijk te stellen. Weest gijlieden de kinderen des Heeren uws Gods, zo luidt de overzetting van die tekst door de zeventigen, en dus als een gebod, dat is: Gedraagt u, zoals het kinderen van God betaamt, en doet niets om de eer van die betrekking tot Hem te bezwalken, of er het voorrecht van te verbeuren.
Zij moeten zich inzonderheid onderscheiden in twee dingen.
1. In hun rouw. Gij zult uzelf niet snijden vers 1. Dit verbiedt (naar sommigen denken) niet alleen zich te snijden bij hun begrafenissen, hetzij als uitdrukking van hun smart of om met hun eigen bloed de helse godheden te verzoenen, maar ook zich te verwonden en te verminken in de aanbidding hunner goden zoals de Baälspriesters gedaan hebben, 1 Koningen 18:28, of zich te tekenen door insnijdingen in hun vlees voor deze of die godheden, hetgeen in hen meer dan in iemand anders een onverschoonbare misdaad zou wezen, die in het teken van de besnijdenis het merk van de Heere Jehovah droegen. Zodat:
Het hun verboden is hun eigen lichaam, om wat het ook zij, te verminken of te schaden. Mij dunkt, dit is als het bevel van een ouder aan zijn kleine kinderen, die dwaas, onachtzaam en koppig zijn, en gaarne met messen spelen: Kinderen, snijdt u niet. Dit is de bedoeling van de geboden, die ons de plicht opleggen onszelf te verloochenen, als wij ze goed begrepen, dan zouden wij weten dat zij betekenen: Doet uzelf geen kwaad. En dat is ook de betekenis en bedoeling van die omstandigheden die ons het meest tegen schijnen te zijn, namelijk die dingen van ons weg te nemen, waardoor wij in gevaar zijn onszelf kwaad te doen. De messen worden ons afgenomen, opdat wij ons niet snijden. Zij, die als een heilig volk Gode gewijd zijn, moeten niets doen om zich te mismaken, het lichaam is voor de Heere, en moet dienovereenkomstig worden gebruikt.
Hier wordt verboden hun ziel te beroeren door overmatige droefheid om het verlies van geliefde bloedverwanten of vrienden. Gij zult ook zelfs in de treurigste omstandigheden geen uitdrukking geven aan uw smart door u te snijden, en kaalheid te maken tussen uw ogen, als mensen, die uitzinnig zijn of zich verharden in hun droefheid om de doden, zoals degenen, die geen hoop hebben, 1 Thessalonicenzen 4:13. Het is een uitnemende passage, die Ainsworth hier aanhaalt uit een van de Joodse schrijvers, die dit verstaat als een wet tegen bovenmatige droefheid om de dood van bloedverwanten of vrienden. Indien uw vader (bijvoorbeeld) sterft, dan zult gij u niet snijden, dat is: gij zult niet meer treuren dan betamelijk is, gij hebt een Vader, die groot, levend, eeuwig is, namelijk de heilige, gezegende God wiens kinderen gij zijt, vers 1. Maar een ongelovige (zegt hij) heeft, als zijn vader sterft, geen vader die hem kan helpen in tijd van nood, want hij heeft tot een hout gezegd: Gij zijt mijn vader, en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd, Jeremia 2:27, daarom weent hij, snijdt hij zich, en maakt hij zich kaal. Wij, die een God hebben in wie wij hopen, en een hemel, waarop wij hopen, moeten ons met die hoop staande houden onder elke beproeving van die aard.
2. Zij moeten zich ook onderscheiden in hun spijze. Van velerlei soorten van vlees, die gezond genoeg zijn, en door andere mensen gewoonlijk gegeten werden, moeten zij zich zorgvuldig onthouden, als zijnde onrein. Die wet hadden wij tevoren in Leviticus 11:2, waar zij uitvoerig verklaard werd. Door het verband, waarin zij hier voorkomt, is het duidelijk dat zij bedoeld was als een kenmerk van eigenaardigheid, van afgezonderd te zijn, want de waarneming er van zal hen in ieder gemengd gezelschap doen opmerken als een afgezonderd volk, en zal hen er voor bewaren om zich te vermengen met of zich te gedragen zoals hun afgodische naburen.
A. Hier worden de beesten, die zij mochten eten, meer in het bijzonder genoemd dan in Leviticus, om te tonen dat zij geen reden hadden om te klagen over het verbod om zwijnenvlees te eten, of hazen en konijnen, als hun toch zo'n grote verscheidenheid was toegestaan niet alleen van gewoon rund-en schapenvlees, dat alleen als slachtoffer en brandoffer geofferd werd, maar ook van wild, waarvan in Kanaän een grote overvloed was, zoals het hert de ree en de buffel, waarvan het vlees wel nooit op Gods altaar mocht komen, maar hun toch wel voor hun eigen tafel was toegestaan. Zie hoofdst. 12:22. Als zij van alle deze vrijelijk mochten eten, (zoals Adam van alle boom des hofs mocht eten) dan waren diegenen niet te verontschuldigen, die om aan een verdorven lust te voldoen, of (naar het schijnt) ter ere van hun afgoden en om aan hun afgodische offers deel te nemen zwijnenvlees aten en sop van gruwelijke dingen in hun vaten hadden, Jesaja 65:4.
B. Betreffende vis is er slechts een algemene regel gegeven, dat alle vissen, die geen vinnen en schubben hebben (zoals schelpvissen en aal, en andere waterdieren, die geen geschikt voedsel zijn) onrein, en verboden zijn, vers 9, 10. C. Er is geen algemene regel gegeven betreffende gevogelte, maar de vogels, die in het bijzonder genoemd zijn, moesten hun onrein wezen, en weinig of geen van deze worden ook thans gemeenlijk gegeten, en al wat niet uitdrukkelijk verboden is, is hun toegestaan vers 11-20. Al het rein gevogelte zult gij eten.
Voorts wordt hun verboden:
a. Dood aas te eten, dat is het vlees van dieren, die hun eigen dood gestorven zijn, omdat er het bloed niet van werd afgescheiden, en, behalve nog de ceremoniële onreinheid, die het aankleefde naar Leviticus 11:39, is het toch ook ongezond voedsel, dat gewoonlijk onder ons niet gebruikt wordt dan door de armen.
b. Het bokje te koken in de melk van zijn moeder, hetzij om aan hun eigen lust tot weelde te voldoen, in de onderstelling dat dit een bijzondere lekkernij is, of naar een bijgelovig gebruik van de heidenen. De Chaldeeuwse paraphrast leest als volzin: Gij zult geen vleesspijzen en melkspijzen te zamen eten. En zo zou hiermede verboden zijn boter als saus bij vlees te eten. Betreffende nu al deze voorschriften ten opzichte van hun voedsel zij opgemerkt:
Ten eerste. De wet zelf geeft duidelijk te kennen dat zij alleen voor de Joden golden, niet van zedelijke aard of bestendig gebruik waren, daar zij niet algemeen verplichtend waren gesteld, want wat zij zelf niet mochten eten, mochten zij wel aan een vreemdeling geven, aan een proseliet van de poort, die de afgodendienst had verzaakt en aan wie het dus vergund was onder hen te wonen, hoewel hij niet besneden was, of zij mochten het verkopen aan een vreemdeling, een heiden, die voor handelszaken in hun land kwam, maar er zich niet in mocht vestigen vers 21. Deze mocht eten wat een Israëliet niet eens mocht aanraken, hetgeen een duidelijk voorbeeld is van hun hoedanigheid als bijzonder volk, als heilig volle.
Ten tweede. Het is duidelijk door het Evangelie, dat die wetten en voorschriften thans verouderd en opgeheven zijn, want ieder schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk en niets moet gemeen of onrein genoemd worden, 1 Timotheus 4:4.