39. En wanneer van de dieren, die u tot spijze gegeven zijn, iets, dat naar de wet (
Vers 2-
22) op zichzelf rein is, en naar de regel geslacht, door u mag worden gegeten, zijn natuurlijke dood zal gestorven zijn, dan verliest het daardoor het karakter van een rein dier; wie dit dode aas zal aangeraakt hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. 40. Ook die van hun dode aas gegeten zal hebben, zal zijn kleren wassen en onrein zijn tot aan de avond; en die hun dode aas zal gedragen hebben, om het te verwijderen, zal zijn kleren wassen en onrein zijn tot aan de avond.
1) Als de diepsten grond van de verontreinigingen (zie Leviticus 11:25) leren wij uit al wat tot heden gezegd is, de aanraking met dood en verderf kennen; daarmee zal een ieder, die tot het volk van God behoort, niets te doen hebben. Want "de dood met de verderving achter zich is de onvermijdelijke, door de vloek van de zonde (Exodus 2:17; 3:19) veroorzaakte uitgang uit dit aardse, zondige leven, waarin, wat de zonde op geestelijk gebied is en werkt, storing en verwoesting van het leven, een verscheuren, oplossen en uiteenvallen van het door God verenigde, ook op lichamelijk gebied tot zijn volle en besliste openbaring komt." Het meest verontreinigt de aanraking van een menselijk lichaam en maakt deze bijzondere reinigingsmiddelen nodig (Numeri 19) daar hier de dood zich dadelijk in zijn eigenschap als vloek van de zonde openbaart. Waar hij nu ook aan het levende schepsel in deze eigenschap openbaar wordt, d.i. waar een dier niet door de mens, de opperheer van de aardse schepping, geslacht of gedood, maar ten gevolge van de vloek van de zonde, die op de gehele schepping rust, gevallen en gestorven is, daar wordt evenzo onreinheid bewerkt, ofschoon dan ook in mindere graad, ten nadele van hem, die met zulk een aas op enigerlei wijze in aanraking geweest is; een onreinheid, welke hem van alle omgang met God, de God van het leven, die het leven liefheeft, zo lang uitsluit, totdat deze verontreiniging deels door de kracht van het water, deels door de invloed van de frisse lucht weer weggenomen is. Wij, die staan in het Nieuwe Verbond, dragen de naam van Hem, die de vloek van de zonde uitgedelgd, de macht van de dood overwonnen heeft en zullen dat leven van de Geest persoonlijk in ons dragen, als die tot een woonstede van God in de Geest door de doop geroepen zijn. Daarmee overwinnen wij de ons overal in het dagelijks leven omringende macht van de dood. Maar voor Israël was deze nieuwtestamentische tijd nog niet aangebroken; daarom moest naar een uitwendige hulp worden omgezien en wel door middel van de beide elementen, die de natuurlijke zinnebeelden van het leven zijn, door lucht en water. Van nu aan gaat de openbaring van God weer op het vroeger onderwerp terug, de onreine en ten gebruik verboden dieren; zij telt ze evenwel niet nog eenmaal op, maar vermeldt vooral de kruipende landdieren; al deze dieren zullen verboden zijn, hetzij dat zij op de buik gaan, zoals de slangen en de wormen, of op vier poten, zoals ratten, muizen, wezels enz., of op veel poten, zoals de insekten..
Wanneer de Heere hier en in Le.17:15, het eten van `t aas van reine beesten nog niet zo streng verbiedt, zoals Deuteronomium 14:21, maar de onreinheid ten gevolge van dit gebruik, zoals door `t gbruik van het in zijn bloed gestikte, zich slechts uitstrekt tot aan de avond; geschiedt dit zeker, omdat men in de woestijn nog weinig vee en geen gelegenheid had om het vlees van gestorven, of door het wild gedierte verscheurde beesten nog enige waarde te doen behouden, door het over te laten voor een vreemdeling, of het te verkopen aan een buitenlander. Het meest kwam het met Gods wil overeen, wanneer men zulk vlees dadelijk de honden voorwierp (Exodus 22:31)
De Heere verbiedt hier niet het eten van het dode aas van de reine dieren, zoals dit later geschiedt (Deuteronomium 14:21), maar geeft alleen te kennen, dat deze onrein zouden zijn tot aan de avond, zoals hij, die het in zijn bloed gestikte gebruikt. Wij hebben hier nu geen verschil in opvatting, geen tweeërlei wetgever, één hier en één in Deuteronomium, maar een en dezelfde, die echter met tijd en tijdsomstandigheden te rade gaat. Dit gebod hier gold voor de woestijn, waar men nog geen overvloed van beesten had, en daarom het vlees van gestorven of verscheurde beesten zeer goed kon gebruiken. Toen Israël echter Kanaän zou binnengaan, hield deze reden op en moest men het dode, of gestikte, of verscheurde overlaten aan de vreemdeling, of moest men het verkopen. Raakte men het echter aan, ook in de woestijn, dan was men onrein tot de avond. Wilde men geheel en al de wil van God volbrengen, dan moest men het de honden voorwerpen. (Exodus 22:31)