Deuteronomium 13:6-11
Door dit deel van de wet wordt verdere voorziening getroffen tegen de besmetting van de afgoderij door hen, die ons na en dierbaar zijn.
I. Het is de list van de verzoeker om zijn aanzoeken bij ons te doen door hen, die wij liefhebben, die wij het minst verdenken van kwade bedoelingen tegen ons, en die wij gaarne genoegen wensen te doen, en geneigd zijn na te volgen. De verleiding wordt hier ondersteld te komen van een broeder of een zoon of dochter, die ons van nature na zijn, van een echtgenote of een vriend, die ons na zijn door keus, en ons zijn als onze ziel, vers 6. Satan heeft Adam verzocht door Eva, en Christus door Petrus. Het is ons dus nodig op onze hoede te zijn tegen een slecht voorstel, als de persoon, die dat voorstel doet, aanspraak kan maken om invloed op ons te oefenen, opdat wij nooit tegen God zondigen, om de beste vriend, die wij in de wereld hebben, genoegen te doen. De verzoeking wordt ondersteld in het geheim te geschieden, u heimelijk zal aanporren, te kennen gevende dat afgoderij een werk van de duisternis is, dat het licht schuwt en begeert verborgen te blijven, en de zondaar belooft zichzelf en de verzoeker belooft hem er veilig en verborgen in te zullen blijven. Betreffende de valse goden, die voorgesteld worden om ze te dienen:
1. Geeft de verzoeker voor, dat ze te aanbidden door geheel de wereld als praktijk is aangenomen. Zo zij dus hun aanbidding bepaalden tot een onzichtbare Godheid, dan waren zij buitengewoon, niet als andere mensen, want deze goden waren de goden van de volken, die rondom hen zijn, ja eigenlijk van alle volken van de aarde, vers 7. Deze inblazing trekt velen weg van de Godsdienst en de Godsvrucht, namelijk dat het niet in zwang is, en zij maken het hof aan de wereld en het vlees omdat dit de goden zijn van de volken, die rondom hen zijn.
2. Tegenover het beweren dat dit de gewoonte was van hun voorouders, zegt Mozes: het zijn goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen. Als zij, die uit Godvruchtige ouders geboren zijn en opgevoed werden in oefeningen van de Godsvrucht, verleid worden om een ijdel, loszinnig leven te leiden, dan moeten zij gedenken, dat dit wegen zijn, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaderen. En zullen zij dan aldus ontaarden?
II. Het is onze plicht God en Godsdienst te verkiezen boven de beste vrienden, die wij hebben in de wereld.
1. Wij moeten niet uit inschikkelijkheid voor onze vrienden Gods wet overtreden, vers 8. Gij zult hem niet ter wille zijn, noch met hem naar zijn afgodische eredienst gaan, neen, niet om hem gezelschap te houden, of uit nieuwsgierigheid, of om nog meer zijn genegenheid te winnen. Het is een algemene regel: Indien de zondaars u aanlokken, bewillig nies, Spreuken 1:10.
2. Wij moeten niet, uit medelijden met onze vrienden, de loop van Gods gerechtigheid belemmeren. Hij, die zo iets voorstelt, moet niet slechts als een vijand worden beschouwd, of als een gevaarlijk persoon, voor wie men bevreesd moet wezen, maar als een misdadiger of verrader, die wij in liefde en ijver voor onze soevereine Heere Zijn kroon en Zijn waardigheid, verplicht zijn aan te klagen, en die wij niet kunnen verbergen zonder ons schuldig te maken aan medeplichtigheid aan zijn verraad, vers 9. Gij zult hem zeker doodslaan. Door deze wet waren de personen, tot wie de verleiding kwam, verplicht de verleider te vervolgen en getuigenis tegen hem af te leggen voor de bevoegde rechters, opdat hij de straf zal ondergaan, door de wet voorgeschreven, en dat wel zonder uitstel, hetgeen, zeggen de Joden, hier bedoeld is met deze uitdrukking, zoals zij luidt in het Hebreeuws: dodende zult gij hem doden, noch de vervolging, noch de uitvoering van de straf mag uitgesteld worden, en hij die de eerste was in het vervolgen, moet ook de eerste zijn in het doden, om te tonen dat hij bij zijn getuigenis blijft. Uw hand zal tegen hem zijn, om hem aan te wijzen als een anathema, en daarna de hand des gehele volks, om hem als het vervloekte weg te doen. De dood, die hij moest ondergaan, werd door de Joden als de ergste van alle beschouwd. Hij moest gestenigd worden, en de beschuldiging tegen hem geschreven, luidt: Hij heeft u door een soort van geweld, gezocht af te drijven van de Heere uw God, vers 10. Diegenen zijn gewis onze ergste vijanden, die ons zoeken af te drijven van God, onze beste vriend, en al wat ons trekt tot de zonde, maakt scheiding tussen ons en God, het is een aanslag op ons leven en moet als zodanig gewroken worden. En:
Eindelijk. Hier is de goede uitwerking van deze noodzakelijke strafvoltrekking, vers 11, opdat het geheel Israël hore en vreze. Zij moeten horen en vrezen, want het straffen van misdaden is bedoeld in terrorem om te verschrikken en aldus de herhaling er van te voorkomen. En het is te hopen dat zij zullen horen en vrezen, en dat zij door de strengheid van de straf, inzonderheid als zij toegepast wordt volgens de rechtsvordering van een vader een broeder of een vriend, zo'n afgrijzen zullen krijgen van de zonde, als zijnde ontzettend zondig, dat zij bevreesd zullen zijn een zelfde straf te moeten ondergaan. Sla de spotter, die zondigt met opgeheven hand, zo zal de onnozele, die in gevaar is om door onachtzaamheid te zondigen, kloekzinnig worden, en zich hoeden.