Deuteronomium 11:18-25
I. Hier herhaalt hij de bevelen, die hij hun tot hun leiding en hulp in hun gehoorzaamheid gegeven heeft, en voor de instandhouding van hun Godsdienst onder hen, vers 18-20 hetgeen ongeveer van gelijke strekking is als hetgeen wij tevoren gehad hebben in hoofdst. 6:6 6 en verv. Laat ons allen geleid worden door de drie regelen, hier gegeven.
1. Laat ons hart vervuld zijn van het woord van God. Legt deze woorden in uw hart en in uw ziel. Het hart moet de schatkamer zijn, waarin het woord van God bewaard wordt, om bij alle gelegenheden te worden gebruikt. Wij kunnen geen goede praktijken verwachten in de wandel, tenzij er goede gedachten, goede genegenheid en goede beginselen zijn in het hart.
2. Laat onze ogen gevestigd zijn op het woord van God. Bindt deze woorden tot een teken op uw hand, die altijd onder uw oog is, Jesaja 49:16, en dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen, dat gij niet vermijden kunt te zien, laat hen u even gemeenzaam zijn, en laat uw oog er even gedurig op zijn, alsof zij op de posten uwer deuren geschreven waren, zodat gij noch bij uw inkomen noch bij uw uitgaan vermijden kunt ze te zien. Aldus moeten wij Gods rechten voor ons stellen, er steeds het oog op hebben als op de gids op onze weg, en de regel van ons werk, Psalm 119:30,
3. Laat onze tong gebruikt worden voor het woord van God. Laat het het onderwerp zijn van onze gemeenzame gesprekken, waar wij ook zijn, inzonderheid met onze kinderen, aan wie de dienst van God geleerd moet worden als het ene nodige, veel nodiger dan de regelen van de welvoeglijkheid, of het beroep, waarvan zij in de wereld moeten leven. Er moet grote zorg en moeite aangewend worden om de kinderen intijds met het woord Gods en de grote dingen van Zijn wet bekend te maken, en hen onder de indruk er van te brengen. Niets zal er zoveel toe bijdragen om de Godsdienst voorspoedig en bestendig te maken in een volk als de goede opvoeding van de kinderen, als het zaad heilig is, dan is dit het behoud van het land.
II. Hij herhaalt de verzekeringen, die hij hun tevoren in de naam van God had gegeven, van voorspoed en welvaart, als zij gehoorzaam zijn.
1. Zij zullen een gelukkige vestiging hebben, vers 21. Hun dagen zullen vermenigvuldigd worden, en als hun dagen vervuld zijn, dan zullen ook de dagen hunner kinderen vele zijn, als de dagen van de hemel, dat is: Kanaän zal hun en hun erfgenamen verzekerd wezen zolang de wereld bestaat, indien zij er zich niet zelf uitwerpen door hun zonde.
2. Hun vijanden zullen de macht niet hebben hen te ontrusten. Zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, vers 22, en uw plicht getrouw volbrengt, zal God niet alleen des landmans arbeid kronen met overvloed van de vruchten van de aarde, maar ook de glorierijke ondernemingen van de krijgslieden zegenen en voorspoedig maken, de overwinning zal uw wapenen vergezellen, God zal deze volken uitdrijven en u hun land doen erven, vers 23, 24. Hun grondgebied zal uitgebreid worden tot de volle uitgestrektheid van de belofte, Genesis 15:18, en al hun naburen zullen ontzag voor hen hebben, vers 25. Niets draagt er zoveel toe bij om een volk aanzien te geven naar buiten, het van waarde te maken voor zijn vrienden en geducht voor zijn vijanden, als de Godsdienst, heersende over hun hart en besturende hun daden, want wie kan wezen tegen hen, voor wie God is? En Hij is gewis voor hen, die in oprechtheid voor Hem zijn. Spreuken 14:34.