2 Samuël 7:18-29
Wij hebben hier het plechtig gebed van David tot God in antwoord op de genaderijke boodschap, die God hem gezonden heeft. Er wordt ons niet meegedeeld wat hij tot Nathan zei. Ongetwijfeld heeft hij hem zeer vriendelijk en met grote eerbied ontvangen als Gods boodschapper, maar zijn antwoord aan God heeft hij Hem zelf gebracht, maar het Hem niet door Nathan gezonden. Als de Evangeliedienaren ons Gods boodschap overbrengen, dan is het niet aan hen, maar aan God, dat ons hart moet antwoorden. Hij verstaat de taal des harten, en tot Hem kunnen wij met vrijmoedigheid komen. Niet zodra had David de boodschap ontvangen of hij zonderde zich af, toen de indruk er van nog vers was, om het antwoord te geven. Let op:
I. De plaats, waar hij zich afzonderde. Hij ging in en bleef voor het aangezicht des Heren dat is: in de tabernakel waar de ark was, die het teken was van Gods tegenwoordigheid, voor deze stelde hij zich. Thans is het Gods wil dat de mensen overal zullen bidden maar waar wij ook bidden, moeten wij ons stellen voor het aangezicht des Heren, en Hem voor ogen hebben.
II. De houding, die hij aannam: hij zat voor het aangezicht des Heren.
1. Dit duidt de houding aan van zijn lichaam. Knielende of staande is voorzeker de meest voegzame houding in het gebed, maar naar aanleiding van dit geval zeggen de Joden: "het was aan de koningen uit het huis van David vergund om in de tempel te zitten, maar aan niemand anders". Maar dit zal toch geenszins de gewone houding van zitten bij het gebed rechtvaardigen, hoewel het in gevallen van noodzakelijkheid geoorloofd moge zijn. David ging in, en nam plaats voor het aangezicht des Heren, zo kan de zin ook gelezen worden maar terwijl hij bad, stond hij, zoals het de gewoonte was. Of hij ging in, en bleef voor het aangezicht des Heren, bleef een wijle in stille overdenking, eer hij zijn gebed begon, en toen bleef hij langer dan gewoonlijk in de tabernakel. Of:
2. Het kan zijn toenmalige geestesgestalte aanduiden. Hij ging in en bereidde zich voor het aangezicht des Heren. Dit behoren wij altijd te doen in ons naderen tot God: o God, mijn hart is bereid, mijn hart is bereid.
III. Het gebed zelf, hetwelk geheel en al Godvruchtige liefde tot God ademt
1. Hij spreekt zeer nederig van zichzelf en van zijn verdiensten. Hij begint als iemand die verwonderd en verbaasd is: Wie ben ik Here Here, en wat is mijn huis, vers 18. God had hem herinnerd aan de geringheid van zijn oorsprong, vers 8, en hij stemde er mee in. Hij had nederige gedachten,
a. Van zijn persoonlijke verdiensten. Wie ben ik? Hij was in alle opzichten een zeer aanzienlijk en zeer te waarderen man. Hij had buitengewone gaven van lichaam en geest. Hij had veel talenten. Hij was een man van eer, hij was voorspoedig en nuttig, hij was de lieveling van zijn volk en de schrik van zijn vijanden, en toch zegt hij, als hij van zichzelf spreekt voor het aangezicht des Heren: Wie ben ik? Een man wie op te merken niet van de moeite waard is".
b. Van de verdiensten van zijn geslacht. Wat is mijn huis? Zijn huis behoorde tot een koninklijke stam, en stamde af van de overste van die stam, hij was verwant aan de aanzienlijkste geslachten des lands, en toch acht hij, evenals Gideon, zijn geslacht arm in Juda, en zichzelf de kleinste in zijns vaders huis, Richteren 6:15. Zo heeft David zich ook verootmoedigd, toen Sauls dochter hem ter huisvrouw was voorgesteld, 1 Samuël 18:18, maar nu met veel meer reden. Het betaamt de grootsten en besten van de mensen, om temidden van de hoogste eer en bevordering, geringe gedachten van zichzelf te koesteren. Want de grootsten van de mensen zijn wormen de besten zijn zondaren, en zij, die tot het hoogste aanzien zijn gekomen, hebben niets dan wat zij hebben ontvangen. "Wie ben ik, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt, mij tot het koninkrijk hebt gebracht, en tot een gevestigde toestand er in, en tot rust van al mijn vijanden?" Het geeft te kennen, dat hij door eigen kracht of beleid hiertoe niet had kunnen komen, zo God er hem niet toe gebracht had. Alles wat wij verkregen hebben, moeten wij beschouwen als gaven van God.
2. Hij spreekt met hoge roem van Gods gunsten jegens hem.
A. In hetgeen Hij voor hem gedaan heeft. "Gij hebt mij tot hiertoe gebracht, tot deze grote waardigheid en heerschappij. Tot hiertoe hebt Gij mij geholpen". Hoewel wij in onzekerheid kunnen gelaten worden betreffende toekomstige gunsten en zegeningen, hebben wij toch grote reden van dankbaarheid voor hetgeen tot hiertoe voor ons gedaan is, Hand 26:22.
B. In hetgeen Hij hem nog verder beloofd heeft. God had reeds grote dingen voor hem gedaan, en toch, alsof dit niets ware, heeft Hij hem beloofd nog veel meer te zullen doen vers 19. Wat God aan Zijn volk ten koste heeft gelegd, is veel, maar wat Hij voor hen heeft weggelegd, is nog oneindig meer, Psalm 31:20. De tegenwoordige genade en vertroosting van de heiligen zijn onschatbare gaven en toch, alsof deze te klein waren voor God om ze aan Zijn kinderen te geven, heeft Hij van hen tot in de verre toekomst gesproken, ja zover de eeuwigheid reikt. Daarvan moeten wij, evenals David, erkennen:
a. Dat het onze verwachting verre teboven gaat. Is dit naar de wijze van de mensen? Dat is:
Ten eerste. Kan de mens verwachten aldus door zijn Maker behandeld te worden? Is dit de wet van Adam? In aanmerking genomen de aard en de toestand des mensen, is het zeer verrassend en verbazingwekkend, dat God met hem handelt zoals Hij met hem handelt. De mens is een gering schepsel, en daarom onder de wet van afstand, onnut voor God, en daarom onder een wet van minachting, schuldig en aanstotelijk. en daarom onder een wet van dood en verdoemenis. Maar hoe ongelijk zijn Gods handelingen met de mens aan deze wet van Adam! Hij is Gode nabij gebracht, duur gekocht, opgenomen in het verbond en de gemeenschap met God, heeft men daar ooit aan kunnen denken?
Ten tweede. Handelen de mensen gewoonlijk aldus met elkaar? Neen, Gods wijze van doen is ver boven de wijze van doen van de mensen. Hoewel Hij hoog is, ziet Hij de nederigen aan, is dit de wijze van de mensen? Hoewel Hij door ons beledigd is, smeekt Hij ons met Hem verzoend te zijn, wacht Hij om ons genadig te wezen, vermenigvuldigt Hij de vergeving, is dit naar de wijze van de mensen? Sommigen geven hier een anderen zin aan, en lezen het aldus: En dit is de wet van de mensen, de Here Jehovah, dat is: "Deze belofte van een, wiens koninkrijk bevestigd zal zijn tot in eeuwigheid, moet verstaan worden van een, die een mens is, en toch de Here Jehovah is, dit moet de wet zijn van zulk een. Een Messias, uit mijn lenden voortgekomen, moet mens zijn, maar eeuwig regerende, moet Hij God zijn". b. Dat er boven dit niets is, dat wij kunnen begeren. "En wat zal David nog meer tot U spreken? vers 20. Wat kan ik meer vragen of wensen? Gij kent Uw knecht, Here, Here, Gij weet wat mij gelukkig zal maken, en wat Gij belooft hebt volstaat hiertoe". De belofte van Christus omvat alles, indien deze mens, de Here Jehovah, de onze is, wat kunnen wij dan nog meer bidden of denken? Efeziers 3:20. De beloften van het verbond van de genade zijn ontworpen door Hem, die ons kent, en ze daarom weet toe te passen op al onze nooddruft. Hij kent ons beter dan wij onszelf kennen, laat ons daarom tevreden wezen met hetgeen Hij voor ons beschikt heeft, wat kunnen wij meer voor onszelf zeggen in onze gebeden, dan Hij voor ons gezegd heeft in Zijn beloften?
3. Hij schrijft alles toe aan de vrije genade van God, vers 21, beide de grote dingen, die Hij voor hem gedaan heeft, en de grote dingen, die Hij hem bekendgemaakt heeft. Het was alles:
a. Om Zijns woords wil, dat is om de wil van Christus, het eeuwige Woord, het komt alles van Zijn verdienste. Of "opdat Gij Uw woord van de belofte groot zult maken boven al Uw naam, door het tot de steun en de voorraadschuur te maken van Uw volk".
b. Naar Uw eigen hart, Uw genaderijke raadsbesluiten en bedoelingen, "ex mero motu-naar Uw eigen welbehagen". Ja, Vader, alzo is geweest het welbehagen voor U. Alles wat God doet voor Zijn volk in Zijn voorzienigheid, en hun verzekert in Zijn beloften, is naar Zijn welbehagen en tot Zijn lof, het welbehagen van Zijn wil en de lof van Zijn woord.
4. Hij aanbidt de grootheid en heerlijkheid van God, vers 22. Gij zijt groot, Here God, want er is niemand gelijk Gij. Gods genadige nederbuiging tot hem en de eer die Hij hem heeft aangedaan hebben de diepe eerbied niet verminderd, die hij voor de Goddelijke majesteit koesterde, want hoe meer de mensen Gode nabij worden gebracht, hoe meer zij van Zijn heerlijkheid zien, en hoe dierbaarder wij zijn in Zijn ogen, hoe groter Hij moet wezen in onze ogen. En betreffende God erkennen wij dat geen wezen Hem gelijk is, dat er buiten Hem geen God is, en dat hetgeen wij met onze ogen gezien hebben van Zijn macht en goedheid, in overeenstemming is met hetgeen wij met onze oren gehoord hebben, en dat ons toch de helft nog niet was aangezegd.
5. Hij drukt grote achting uit voor het Israël Gods, vers 23, 24. Gelijk er onder de goden niemand vergeleken kan worden met Jehovah, zo is er onder de volken geen, dat vergeleken kan worden bij Israël, in aanmerking genomen:
A. De werken, die Hij voor hen gedaan heeft. Hij is heengegaan om hen zich tot een volk te verlossen, heeft er zich op toegelegd, als op een groot werk, deed het met plechtigheid, "halchoe- elohiem", "dii iverunt-De goden gingen." Alsof er dezelfde beraadslaging was tussen en medewerking van al de personen van de Goddelijke Drieëenheid voor het werk van de verlossing, als voor het werk van de schepping toen God zei: Laat ons mensen maken. Die zijn welke van God gezonden waren om te verlossen, aldus de Chaldeer, bedoelende Mozes en Aaron, naar ik onderstel. De verlossing van Israël, zoals zij hier beschreven wordt, was een type van onze verlossing door Christus daar zij:
a. Verlost werden van de volken en hun goden, want zo zijn wij verlost van alle ongerechtigheid en alle gelijkvormigheid met deze wereld. Christus is gekomen om Zijn volk zalig te maken van hun zonden. b. Zij waren verlost om Gode een volk te zijn, Hem gereinigd en toegeëigend, opdat Hij zich een grote naam zou maken, en grote dingen voor hen zou doen, de eer van God en de eeuwige zaligheid van de heiligen zijn de twee grote dingen, die beoogd zijn in hun verlossing.
B. Het verbond, dat Hij met hen gemaakt heeft, vers 24. Het was:
a. Wederzijds, zij om U een volk te zijn, en Gij om hun een God te wezen, al hun belangen toegewijd aan U, en al Uw eigenschappen aangewend voor hen."
b. Onveranderlijk, "Gij hebt hen bevestigd." Hij, die het verbond maakt, maakt het vast en zal het nakomen.
6. Hij besluit met een nederige bede aan God.
A. Hij grondt zijn bede op de boodschap, die God hem heeft gezonden, vers 27. Gij hebt dit aan Uw knecht geopenbaard, dat is: "Gij hebt mij naar Uw eigen wil en welbehagen deze belofte gegeven, dat Gij mij een huis zult maken, anders zou ik het nooit in mijn hart gevonden hebben om dit gebed tot U te bidden, ik zou zulke grote dingen niet hebben durven vragen, indien ik niet door Uw belofte aangemoedigd was om ze te vragen, zij zijn in werkelijkheid te groot voor mij om ze te vragen, maar niet te groot voor U om ze te geven. Uw knecht heeft in zijn hart gevonden dit gebed te bidden," zo is het in het oorspronkelijke en bij de LXX. Velen moeten, als zij zich tot bidden begeven, hun hart zoeken, maar Davids hart was gevonden, dat is: het was bereid, teruggekomen van zijn afdwalingen, geheel bereid tot zijn plicht, en er mee bezig. Het gebed, dat alleen op de tong wordt gevonden, zal Gode niet behagen, het moet in het hart gevonden zijn, dat moet opgeheven en voor God worden uitgestort. Mijn zoon, geef God uw hart.
B. Hij bouwt zijn geloof en zijn hoop op welslagen op de getrouwheid van Gods belofte vers 25. Gij zijt die God, Gij zijt het, namelijk die God, de Here van de heirscharen en de God Israëls, of, die God, wiens woorden waar zijn die God, op wie men steunen en vertrouwen kan, en Gij hebt dit goede tot Uw knecht gesproken, en daarom heb ik vrijmoedigheid om er om te bidden.
C. Daaraan ontleent hij het onderwerp van zijn gebed, daaraan houdt hij zich als de gids voor zijn gebed.
a. Hij bidt om de vervuiling van Zijn belofte, vers 25. "Laat het woord aan mij vervuld worden op "hetwelk Gij mij hebt doen hopen," Psalm 119:49, en doe gelijk als Gij gesproken hebt, ik begeer niets meer en ik verwacht niets minder, zo rijk is de belofte, en zo zeker." Aldus moeten wij Gods beloften in gebeden verkeren, en dan zullen zij in vervulling gaan, want voor God zijn zeggen en doen niet twee, zoals zij dit dikwijls voor de mensen zijn. God zal doen wat Hij gesproken heeft.
b. Hij bidt om de verheerlijking van Gods naam, vers 26. Uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid. Dit behoort de hoofdsom en het middelpunt te zijn van al onze gebeden, de alfa en de omega er van, begin met Uw naam worde geheiligd, en eindig met: Uwer is de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Hetzij ik al of niet groot worde gemaakt-Uw naam worde groot gemaakt. En hij acht dat niets Gods naam meer groot maakt dan dit, in de rechte gemoedsgesteldheid te zeggen: De Here van de heirscharen is God over Israël. Dit geeft te kennen dat de God Israëls hoogheerlijk is en groot, dat Hij is: de Here van de heirscharen! en dit duidt aan dat de Here van de heirscharen hoogheerlijk is en goed, dat Hij God is over Israël, laat in beide Zijn naam groot gemaakt worden tot in eeuwigheid, laat alle schepselen en alle kerken Hem voor die twee zaken de eer geven. David begeerde de vervulling van Gods belofte tot eer, niet van zijn eigen naam, maar van Gods naam. Aldus heeft de Zone Davids gebeden: Vader, verheerlijk Uw naam, Johannes 12:28, 17:1:en verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.
c. Hij bidt voor zijn huis, want daarop inzonderheid ziet de belofte.
Ten eerste. Dat het gelukkig moge wezen, vers 29. Zo believe het U nu, en zegen het huis Uws knechts, en wederom, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht gezegend zij. Die Gij zegent, zijn waarlijk gezegend. De zorg van de Godvruchtigen betreft in hoge mate hun gezin, en het beste wat zij er aan kunnen nalaten is de zegen van God. De herhaling dier bede is geen ijdele herhaling, maar geeft zijn waardering te kennen van de Goddelijke zegen, en zijn vurige begeerte er naar als het alles in alles voor het geluk van geslacht.
Ten tweede, Dat het geluk er van blijvend moge wezen. Laat het huis van Uw knecht David bestendig zijn voor Uw aangezicht, vers 26, laat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zijn, vers 29. Hij bidt:
1. Dat het erfrecht van de kroon niet vernietigd moge worden, maar in zijn geslacht moge blijven, dat niemand van de zijnen het ooit mocht verbeuren, maar dat zij mogen wandelen voor Gods aangezicht, en dat dit hun bevestiging zijn zal.
2. Dat zijn koninkrijk zijn volkomenheid en bestendigheid zou hebben in het koninkrijk van de Messias. Toen Christus voor altijd nederzat aan de rechterhand Gods, Hebreeën 10:12 en alle mogelijke verzekerdheid verkreeg, dat Zijn zaad en troon zullen wezen als de dagen des hemels, werd dit gebed van David, de zoon van Isai, voor zijn zaad overvloedig verhoord, dat het zal zijn tot in eeuwigheid, zie Psalm 72:17. De eeuwigdurendheid van het koninkrijk van de Messias is het geloof en de begeerte van alle Godvruchtigen.