2 Samuël 6:6-11
Wij zien hier Uzza dood nedergeveld omdat hij de ark had aangeraakt, toen zij opgevoerd werd naar de stad Davids, een treurige gebeurtenis, die hen terneersloeg in hun vreugde, het opvoeren van de ark voor het ogenblik staakte, en deze grote vergadering, die opgekomen was om haar te begeleiden, uiteen deed gaan, en verschrikt huiswaarts deed keren.
I. Uzza's overtreding scheen zeer klein. Hij, en zijn broeder Ahio, de zonen van Abinadab in wiens huis de ark zolang verbleven was hadden er de zorg over gehad, en hun bereidwilligheid tonende om het algemene welzijn te stellen boven hun persoonlijke eer of belang, hadden zij op zich genomen om de wagen te besturen, waarop de ark vervoerd werd, daar dit waarschijnlijk de laatste dienst was, die zij er voor te doen zouden hebben want als zij in de stad Davids is, zullen waarschijnlijk anderen voor haar dienst worden aangesteld. Ahio ging vooraan om de weg vrij te houden, en, zo het nodig was, de ossen te besturen, Uzza volgde dicht aan de zijde van de wagen, en nu gebeurde het dat de ossen struikelden en de ark deden schudden vers 6. De taalgeleerden zijn het onderling niet eens over de betekenis van het oorspronkelijke woord. Zij struikelden, aldus is de kanttekening op de Engelse vertaling des Bijbels. Anderen geven de betekenis: zij sloegen achteruit, misschien tegen de prikkel, waarmee Uzza hen aandreef. Zij bleven in de modder steken zo lezen hier anderen. Hoe het zij, door het een of ander ongeval was de ark in gevaar van te vallen. Hierop greep Uzza haar, om haar voor vallen te bewaren, met zeer goede bedoeling naar wij reden hebben te geloven, namelijk om de eer van de ark te bewaren en een slecht voorteken te vermijden. Maar dit was zijn misdaad: Uzza was een Leviet, en alleen priesters mochten de ark aanraken. De wet gebood uitdrukkelijk dat de Kohathieten wel de ark moesten dragen aan haar handbomen, maar "het heilige niet moesten aanroeren, opdat zij niet stierven," Numeri 4:15. Uzza's langdurige gemeenzaamheid met de ark en de zorg die hij er voortdurend voor gedragen heeft, kon hem tot die vermetelheid hebben gebracht, maar verontschuldigde haar niet.
II. Zijn straf voor die overtreding schijnt zeer zwaar, vers 7. De toorn des Heren ontstak tegen Uzza (want in gewijde zaken is Hij een ijverig God) en Hij sloeg hem aldaar om zijn vermetelheid, zoals er staat in de oorspronkelijke tekst, en doodde hem te eigener plaats. Daar heeft hij gezondigd, en daar stierf hij, bij de ark Gods, zelfs het verzoendeksel kon hem niet behouden. Waarom was God zo streng jegens hem?
1. Het aanroeren van de ark was aan de Levieten verboden, uitdrukkelijk verboden, onder straffe des doods, opdat zij niet sterven, en door dit voorbeeld van strengheid heeft God willen tonen, hoe rechtvaardig Hij met onze eerste ouders had kunnen handelen, toen zij gegeten hadden wat hun evenzo op straffe des doods verboden was: opdat gij niet sterft.
2. God zag de vermetelheid en oneerbiedigheid van Uzza's hart. Misschien heeft hij aan deze grote vergadering eens willen tonen, hoe vrij en onbevreesd hij met de ark durfde omgaan, daar hij er reeds zolang vertrouwd mee was. Gemeenzaamheid, zelfs met het ontzaglijkste, brengt allicht minachting teweeg.
3. David heeft later erkend dat Uzza gestorven is wegens een misslag, waaraan zij allen schuldig waren, namelijk dat zij de ark op een wagen vervoerd hebben, inplaats van haar op de schouders van de Levieten te laten dragen, daarom heeft de Here onze God onder ons een scheur gemaakt, 1 Kronieken 15:13. Maar Uzza alleen werd tot een voorbeeld gesteld misschien omdat hij het ijverigst was om die wijze van vervoer aan te raden, maar hij is in nog een andere dwaling vervallen, die hierdoor veroorzaakt werd. Misschien was de ark niet bedekt, zoals zij behoorde te wezen, met een bedeksel van dassenvellen, Numeri 4:6, en dat was nog een verdere overtreding.
4. God wilde hierdoor het hart van de duizenden Israëls vervullen met ontzag, en hun de overtuiging geven dat de ark niet minder eerbiedwaardig was, omdat zij zolang in geringe omstandigheden en omgeving is geweest, en hen leren om zich te verheugen met beving en de heilige dingen altijd met eerbied en heilige vreze te behandelen.
5. God wilde ons hiermede leren dat een goede bedoeling geen slechte daad kan rechtvaardigen, het zal ons niet baten te zeggen dat hetgeen slecht gedaan werd toch goed bedoeld was. Hij wil ons doen weten, dat Hij Zijn ark kan en zal beveiligen, en de zonde des mensen niet nodig heeft om Hem daarbij behulpzaam te zijn.
6. Indien het nu zo'n grote misdaad was, dat iemand de ark des verbonds aangreep die daartoe het recht niet had, wat is het dan voor hen, die aanspraak maken op de voorrechten van het verbond en er de voorwaarden niet van nakomen? "Tot de goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen en neemt Mijn verbond in uw mond?" Psalm 50:16. Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen? Indien de ark zo heilig was en met geen oneerbiedige handen aangeraakt mocht worden wat is dan "het bloed des testaments?" Hebreeën 10:29.
III. David gevoelde zeer diep de slag, die toegebracht was, maar zijn gevoelens waren niet geheel en al wat zij wezen moesten. Hij had zich behoren te vernederen onder Gods hand, de dwaling moeten belijden, Gods rechtvaardigheid moeten erkennen, en de verdere tekenen van Zijn misnoegen moeten afbidden en dan moeten voortgaan met het goede werk, dat hij had begonnen. Maar wij bevinden:
1. Dat hij misnoegd was, niet omdat Uzza God beledigd had, maar omdat de Here een scheur gescheurd had aan Uzza, vers 8. David ontstak. Het is hetzelfde woord dat in vers 7 gebruikt is voor Gods misnoegen. Omdat God toornig was, was David toornig en uit zijn humeur. Alsof God de eer van Zijn ark niet mocht handhaven, en hen, die haar op ruwe wijze aanraakten, niet toornig mocht aanzien, zonder David om verlof te vragen. Zal de sterflijke mens beweren rechtvaardiger te zijn dan God, Zijn doen aanklagen en Hem van ongerechtigheid beschuldigen? David was nu zichzelf niet, heeft niet gehandeld als de man naar Gods hart. Het betaamt ons niet misnoegd te zijn om iets, dat God doet, hoe onaangenaam het ons ook moge wezen. De dood van Uzza was inderdaad een verduistering van de heerlijkheid van een plechtigheid, waarop David zich meer liet voorstaan dan op wat het ook zij, en zou hen, die hem niet genegen waren, kunnen doen denken dat God ook van hem geweken was, maar toch had hij zich behoren te onderwerpen aan en had hij moeten instemmen met Gods gerechtigheid en wijsheid hierin, en er niet misnoegd om moeten wezen. Als wij onder toorn liggen, dan moeten wij onze toorn tenonder houden.
2. Hij vreesde, vers 9. Zijn vrees schijnt met ontzetting gepaard te zijn gegaan, want hij zei: Hoe zal de Here tot mij komen? Alsof God iets zocht tegen allen, die rondom hem waren en zoveel zorg had voor Zijn ark, dat men er niet zonder gevaar toe kon naderen, en het dus beter voor hem was om haar op een afstand te houden. "Qui procul a Jove, procul a fulmine-Verre van Jupiter, verre van de bliksem." Veeleer had hij moeten zeggen: "Laat de ark tot mij komen, ik zal door het gebeurde gewaarschuwd zijn om haar met meer eerbied te behandelen". "Vertoornt Mij niet, zegt God, en Ik zal u geen kwaad doen," Jeremia 25:6. Of, dit kan beschouwd worden als een goed gebruik, dat David van dit omzettend oordeel gemaakt heeft. Hij zei niet: "Voorzeker, Uzza was een zondaar boven alle mensen, omdat hij dit geleden heeft, maar hij is bezorgd voor zichzelf, zich wel bewust zijnde, niet alleen van Gods gunst onwaardig te zijn maar ook van Gods misnoegen verdiend te hebben. "God zou mij rechtvaardig kunnen doden, zoals Hij Uzza gedood heeft, het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U", en ik heb gevreesd voor Uw oordelen, Psalm 119:120. God bedoelt met Zijn oordelen, dat anderen ze zullen horen en vrezen. Daarom wil David de ark niet naar zijn eigen stad brengen, vers 10, voordat hij beter bereid is haar te ontvangen.
3. Hij droeg zorg om de gedachtenis aan deze slag te bewaren door de nieuwe naam, die hij aan deze plaats gaf, Perez-Uzza, de scheur van Uzza, vers 8. Hij had onlangs gejuicht om de scheur, die aan zijn vijanden was gemaakt, en noemde de plaats Baäl-Perazim, maar hier is een scheur gemaakt aan zijn vrienden. Als wij een scheur zien, dan moeten wij bedenken dat wij niet weten waar de volgende zijn zal. De gedachtenis aan deze slag zal een waarschuwing wezen voor de nakomelingen, om alle roekeloosheid en oneerbiedigheid in het behandelen van de heilige dingen te schuwen, want God zal in degenen, die tot Hem naderen, geheiligd worden.
4. Hij bracht de ark in een goed huis, het huis van Obed-Edom, een Leviet, dat nabij de plaats was, waar die ramp is geschied, en daar:
a. Werd zij vriendelijk ontvangen en welkom geheten, en zij bleef er drie maanden, vers 10, 11. Obed-Edom wist welk een slachting de ark had veroorzaakt onder de Filistijnen, die haar gevangen hielden, en de Bethsemieten, die in haar gezien hadden. Hij zag Uzza dood nedergeworpen, omdat hij haar had aangeraakt, en bemerkte dat David zelf bevreesd was om er zich mee in te laten, toch heeft hij haar blijmoedig in zijn huis ontvangen, onbevreesd zijn deur voor haar geopend, wetende dat zij alleen voor hen, die kwalijk met haar handelen een reuk des doods ten dode was. "Heerlijk is de moed", zegt bisschop Hall, "van een eerlijk en getrouw hart, niets kan God anders dan lieflijk maken voor de Zijnen, zelfs Zijn gerechtigheid is hun lieflijk".
b. Zij heeft goed betaald voor haar onderhoud. De Here zegende Obed-Edom en zijn gehele huis. Dezelfde hand, die Uzza's trotse vermetelheid heeft gestraft, beloonde Obed-Edoms nederige vrijmoedigheid, en maakte de ark voor hem een reuk des levens ten leven. Laat niemand kwaad denken van het Evangelie om de oordelen, die gebracht worden over hen, die het verwerpen, maar er de zegeningen tegenover stellen, die het hun aanbrengt, die het behoorlijk ontvangen en aannemen. Nooit heeft iemand reden gehad, en nooit zal iemand reden hebben, om te zeggen dat het tevergeefs is God te dienen. Laat hoofden van huisgezinnen aangemoedigd zijn om de Godsdienst in ere te houden in hun gezin, God en de belangen van Zijn koninkrijk te dienen met hun huizen en hun goederen, want dat is het middel om een zegen te brengen over alles wat zij hebben. De ark is een gast bij wie niemand iets zal verliezen, die haar welkom heet. Josephus zegt dat Obed-Edom tevoren arm was, maar in die drie maanden is zijn bezitting tot wangunst van zijn naburen plotseling sterk toegenomen. Godzaligheid bevordert voorspoed. In de linkerhand van de wijsheid zijn rijkdom en eer. Zijn huisgezin deelde in zijn zegen, het is goed wonen in een gezin, dat de ark huisvest, want allen, die er toe behoren, zullen er te beter om varen.