2 Samuël 3:22-39
Wij hebben hier een bericht van de moord op Abner door Joab, en Davids diepe smart er over.
I. Joab viel David zeer onbeschoft aan wegens zijn verdrag met Abner. Hij was afwezig voor dienst toen Abner bij David was, een bende achterna jagende, hetzij van Filistijnen, of van de partij van Saul, maar bij zijn terugkomst deelde men hem mede, dat Abner juist vertrokken was, vers 22, 23, en dat er veel vriendelijks tussen David en hem was voorgevallen. Hij had alle mogelijke redenen om overtuigd te zijn van Davids voorzichtigheid en te berusten in de door hem genomen maatregelen, hem kennende als een wijs en Godvruchtig man, die voor al zijn zaken onder Gods leiding en bestuur was, en toch bestraft hij David, alsof hij evenveel te zeggen had in Davids aangelegenheden als Abner in die van Isboseth, en verwijt hem in zijn aangezicht onstaatkundig te zijn geweest, vers 24, 25. Wat hebt gij gedaan? Alsof David hem rekenschap schuldig was van hetgeen hij deed: "Waarom hebt gij hem laten gaan, nu gij hem tot een gevangene hadt kunnen maken? Hij kwam als spion, en zal u gewis verraden." Ik weet niet of ik er mij meer over verwonderen moet, dat Joab onbeschaamdheid genoeg had om aldus zijn vorst te beledigen, of dat David geduld genoeg had om de belediging te verdragen. Eigenlijk noemt hij David een dwaas, als hij hem zegt dat hij wist dat Abner gekomen is om hem te bedriegen, maar toch vertrouwen in hem had gesteld. Wij bevinden niet dat David hem geantwoord heeft, niet omdat hij hem vreesde, zoals Isboseth Abner heeft gevreesd vers 11, maar omdat hij hem verachtte, of misschien omdat Joab niet wellevend genoeg was om op een antwoord te wachten.
II. Zeer verraderlijk liet hij Abner terughalen, en onder schijn van een afzonderlijk onderhoud met hem te willen hebben, heeft hij hem met zijn eigen hand wreedaardig vermoord. Dat hij van Davids naam gebruik maakte onder voorwendsel van hem nog nadere instructies te geven, wordt aangeduid door die woorden in vers 26 : maar David wist het niet. Abner, geen kwaad voorhebbende, vreesde geen kwaad maar keerde zonder argwaan terug naar Hebron, en Joab vindende, die hem opwachtte aan de poort, ging hij terzijde met hem om met hem te spreken, vergetende wat hij zelf aan Asahel had gezegd toen hij hem versloeg: "Hoe zou ik mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?" Hoofdstuk 2:22, en daar heeft Joab hem vermoord, vers 27, en in vers 30 wordt te kennen gegeven dat Abisai met het plan bekend was en er zijn broeder in behulpzaam zou geweest zijn, indien het nodig ware geweest. Daarom wordt hij van medeplichtigheid aan de moord beschuldigd: Alzo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen, hoewel Hij alleen het misschien wist, die de gedachten en bedoelingen kent der mensen harten.
Hierin nu is het zeker:
1. Dat de Here rechtvaardig was. Abner had David boosaardig en tegen de overtuiging van zijn eigen geweten tegengestaan, hij had nu laaghartig Isboseth verlaten en verraden onder voorgeven van eerbied voor God en liefde tot Israël, maar in werkelijkheid uit een beginsel van hoogmoed en wraakzucht, en onwil om onder bedwang te staan, God wilde dus van zo'n slechte man geen gebruik maken in zo'n goed werk als Israël tot eenheid te brengen, hoewel David het zou kunnen. Gerichten zijn bereid voor spotters, zoals Abner er een was. Maar:
2. Even zeker is het dat Joab onrechtvaardig was, en in hetgeen hij deed goddeloos heeft gedaan. David was een man naar Gods hart maar kon geen mannen om zich heen hebben naar zijn hart, neen, zelfs niet in de gewichtigste posten. Menig goed vorst en goed meester is genoodzaakt geweest slechte mensen te gebruiken.
a. Zelfs het voorwendsel, waarom hij het gedaan heeft, was zeer onrechtvaardig. Het is waar, Abner had zijn broeder Asahel gedood, en Joab en Abisai gaven voor de wrekers te zijn van zijn bloed, vers 27, 30, maar Abner versloeg Asahel in open krijg, waarin Abner wel de aanvaller was en de uitdager, maar Joab had de uitdaging aangenomen, en velen van Abners vrienden gedood, hij heeft het ook uit zelfverdediging gedaan, en niet voordat hij hem gewaarschuwd had, waarnaar hij niet had willen luisteren, en hij deed het met weerzin, maar Joab heeft krijgsbloed vergoten in vrede, I Koningen 2:5 .
b. Wat, naar wij reden hebben te geloven, op de bodem van Joabs vijandschap voor Abner lag, maakte de zaak nog veel erger. Joab was nu Davids krijgsoverste, maar als Abner tot zijn zijde overkomt, dan zal hij misschien boven hem bevorderd worden, daar hij meer ervaren was in de krijg. Dit wekte Joabs naijver op, en hij kon beter bloedschuld verdragen dan de gedachte aan een mededinger.
c. Hij deed het verraderlijk en onder voorgeven van een vreedzaam gesprek met hem te willen hebben, Deuteronomium 27:24. Had hij hem uitgedaagd, hij zou als een krijgsman hebben gehandeld, maar hem te vermoorden was laaghartig en lafhartig. "Zijn woorden waren zachter dan olie maar ze waren blote zwaarden," Psalm 55:22. Evenzo laaghartig heeft hij Amasa verslagen Hoofdstuk 20:9, 10.
d. Die daad was een grote belediging voor David, die nu in verdrag was met Abner, en Joab wist dit. Abner was nu in werkelijke dienst van zijn meester, zodat hij in hem op David zelf een slag heeft gericht.
e. Het was een grote verzwaring van de moord dat hij hem in de poort heeft gepleegd, openlijk, als iemand die zich niet schaamde, en niet kon blozen. De poort was de plaats des gerichts, en de plaats van de samenkomst, zodat hij het in trotsering deed van de gerechtigheid beide van het rechtvaardige oordeel van de magistraten en de rechtvaardige toorn des volks als iemand die God niet vreesde en geen mens ontzag, maar zich boven alle wet of bedwang achtte, en Hebron was een Levietenstad en een vrijstad.
III. David nam het diep ter harte, en heeft zijn afschuw voor de verfoeilijke misdaad op velerlei wijze te kennen gegeven.
1. Hij wies zijn handen van de schuld van Abners bloed. Opdat niemand zou denken dat Joab in het geheim een wenk van David had ontvangen om te doen wat hij gedaan heeft, (en dit temeer omdat hij zolang ongestraft is gebleven) verklaart hij hier plechtig voor God zijn onschuld, ik ben onschuldig van het bloed van Abner (en mijn koninkrijk is onschuldig omdat ik onschuldig ben) bij de Here tot in eeuwigheid. Het is troostrijk om, als er een slechte daad gedaan is, te kunnen zeggen dat wij er de hand niet in gehad hebben: "onze handen hebben dit bloed niet vergoten," Deuteronomium 21:7. Hoe wij ook gelaakt of verdacht mogen worden, ons hart veroordeelt ons niet. 2. Wegens die daad spreekt hij een vloek uit over Joab en zijn geslacht, vers 29. "Het blijve op het hoofd van Joab, laat dit bloed tegen hem roepen, en laat de Goddelijke wraak hem volgen. Laat de ongerechtigheid bezocht worden aan zijn kinderen en kindskinderen, in de een of andere erfelijke ziekte." Hoe langer de straf uitgesteld wordt, zoveel te langer dure zij, als zij komt. Laat zijn nakroost geschandvlekt zijn, onteerd door een vloeiing, of een melaatsheid, die hen buitensluit van de maatschappij, laat hen bedelaars of kreupelen zijn, of tot een ontijdig einde komen, opdat er gezegd worde: "Hier is een van Joabs geslacht." Dit geeft te kennen dat bloedschuld een vloek brengt over geslachten, indien de mensen haar niet wreken, dan zal God het doen, en de straf van de ongerechtigheid wegleggen voor de kinderen. Mij dunkt echter dat een vastberaden kloekmoedig straffen van de moordenaar zelf David beter gevoegd zou hebben dan deze hartstochtelijke inroeping van Gods oordelen over zijn nageslacht.
3. Hij riep allen die rondom hem waren, zelfs ook Joab zelf, om rouw te bedrijven over de dood van Abner, vers 31. Scheurt uw klederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner heen, dat is: voor de lijkbaar van Abner, zoals van Abraham gezegd werd, dat hij kwam "om Sara te beklagen en te bewenen," Genesis 23:2, 3, en hij geeft een reden op, waarom zij zijn begrafenis met oprecht en plechtig rouwbedrijf moesten bijwonen, vers 38. want te deze dage is een vorst, ja een grote in Israël gevallen. Zijn bloedverwantschap met Saul, zijn betrekking als krijgsoverste, zijn invloed, en de grote diensten, die hij tevoren bewezen had, volstonden om hem een vorst en groot man te noemen. Hij kon hem geen heilig en Godvruchtig man noemen, daar zweeg hij over, maar van hetgeen waar was, gaf hij hem de lof, hoewel hij zijn vijand is geweest, namelijk dat hij een vorst en groot man was geweest, zo'n man is gevallen in Israël, is heden gevallen, juist toen hij de beste daad deed, die hij in geheel zijn leven gedaan had, heden, nu hij waarschijnlijk zo nuttig en dienstbaar zou geweest zijn aan de openbare vrede en welvaart, en zo slecht gemist kon worden.
a. Laat hen allen treuren. De vernederende verandering, die door de dood in alle mensen wordt teweeggebracht, moet betreurd worden, inzonderheid waar het vorsten en grote mannen geldt. Wee! wee! (met toespeling op Openbaring 18:10) hoe laag, hoe klein worden zij gemaakt door de dood, die zich tot de schrik van de machtigen hebben gemaakt in het land van de levenden! Maar inzonderheid moeten wij de val betreuren van nuttige mannen, in het midden van hun arbeid weggerukt, wanneer men hen het meest nodig had. Een openbaar verlies moet iedereen tot droefheid wezen, want iedereen deelt in dit verlies. Aldus droeg David zorg dat eer zou bewezen worden aan de nagedachtenis van een man van verdienste, tot aanmoediging van anderen.
b. Laat Joab zeer bijzonder die val betreuren, die hem minder ter harte gaat, maar waarover hij toch meer dan iemand anders reden heeft om te beuren. Indien hij er toe gebracht kon worden om dit in oprechtheid te doen, dan zou dit berouw te kennen geven over zijn zonde van hem gedood te hebben. Indien hij-hetgeen waarschijnlijk is-slechts uitwendig treurde en rouw bedreef, dan was het een soort van boete, die hem opgelegd was, en een verandering van zijn straf voor het ogenblik. Als hij thans de moord niet boet met zijn bloed, zo laat hem het enigszins doen met zijn tranen. Hieraan heeft Joab, nu hij zijn doel bereikt heeft, zich misschien niet met grote weerzin onderworpen. Nu Abner op de doodsbaar ligt, kan het hem niet schelen in welke staatsie hij er ligt. "Sit divus, modo non sit vivus-Laat hem gecanoniseerd worden, mits hij gedood is."
4. David zelf volgde het lijk als voornaamste rouwdragende, en hield een lijkrede op het graf. Hij ging achter de baar, vers 31, hij weende bij zijn graf, vers 32. Abner is zijn vijand geweest, en zou wellicht geen trouw vriend gebleven zijn, maar hij was een dapper en kloekmoedig man geweest op het slagveld, en hij zou in dit hachelijk tijdsgewricht van grote dienst geweest kunnen zijn voor het publiek in de openbare raadsvergaderingen, en daarom zijn alle vroegere twisten vergeten, en betreurt David in alle oprechtheid zijn val. Wat hij op het graf sprak, deed opnieuw stromen van tranen vloeien uit de ogen van allen, die tegenwoordig waren, toen zij hem die hulde reeds ten volle gebracht hadden, vers, 33, 34. Is dan Abner gestorven als een dwaas sterft?
a. Hij spreekt als iemand aan wie het grieft dat Abner uit het leven werd weggerukt, dat zo'n groot man als hij was, zo vermaard wegens beleid en moed, misleid zou worden door een schijn van vriendschap, gedood zou worden als bij verrassing, en aldus als een dwaas is gestorven. De wijste en dapperste mannen kunnen niets tegen verraad. Een man als Abner, die zich de voornaamste spil achtte om welke Israëls grote zaken draaiden, van zoveel gewicht, dat hij zich instaat achtte om de balans van de wankele regering te doen overhellen naar de zijde, die hem goeddacht, terwijl zijn hoofd vol was van grote plannen en grote vooruitzichten, zo'n man tot een dwaas te zien gemaakt door een laaghartige mededinger, tot offer te zien gebracht van diens eerzucht en naijver, dat is iets, dat de glans van alle heerlijkheid van de wereld doet tanen, en iemand voor alle wereldse grootheid onverschillig zou maken. "Vertrouwt niet op prinsen," Psalm 146:3, 4. Laat ons dus ons verzekeren van hetgeen ons niet door list of geweld ontnomen kan worden. Een mens kan beroofd worden van zijn leven en van alles wat hem dierbaar is, zonder dat hij dit met al zijn wijsheid, zorg en oprechtheid beletten of voorkomen kan, maar er is iets waar geen dief doorheen kan breken om het te stelen. Zie hier hoeveel meer wij verplicht zijn aan Gods voorzienigheid dan aan onze voorzichtigheid voor het voortduren van ons leven en hetgeen het leven lieflijk voor ons maakt. Ware het niet dat God het geweten van slechte mensen onder Zijn bedwang houdt, hoe spoedig zouden de zwakken en onschuldigen een gemakkelijke prooi worden van de sterken en onbarmhartigen, en de wijsten sterven als dwazen: Of:
b. Hij spreekt als iemand, die volhoudt dat Abner niet als een dwaas is gestorven. Is dan Abner gestorven als een dwaas sterft? Neen, hij is niet gestorven als een misdadiger, een verrader, die zijn leven verbeurd heeft aan de openbare gerechtigheid, zijn handen waren niet gebonden, zijn voeten niet in boeien gesloten, zoals die van boosdoeners. Abner is niet voor rechtvaardige mannen gevallen door een rechterlijk vonnis, maar als een man, een onschuldig man valt voor goddeloze mannen, voor dieven en rovers, zo zijt gij gevallen". Stierf Abner zoals Nabal gestorven is? Aldus lezen het de LXX. Nabal stierf zoals hij geleefd heeft gelijk hijzelf, gelijk een zot, maar Abners lot had het lot kunnen wezen van de wijste en beste mens ter wereld. Abner heeft zijn leven niet weggeworpen, zoals Asahel gedaan heeft, die moedwillig, na gewaarschuwd te zijn, tegen een spies inliep, maar hij werd overvallen en gedood. Het is treurig te sterven zoals een dwaas sterft, zoals zij, die op enigerlei wijze hun dagen verkorten, en nog veel meer zij, die geen voorziening maken voor een andere wereld.
5. Hij vastte die gehele dag, en wilde zich niet laten overreden om enigerlei voedsel te gebruiken voor de avond, vers 35. Het was toen de gewoonte voor rouwbedrijvenden, om zich voor het ogenblik van voedsel te onthouden, zoals Hoofdstuk 1:12, 1 Samuël 31:13. Hoe ongerijmd, hoe weinig passend is het dan niet, om het huis van de rouw in een huis van de maaltijden te veranderen! De eerbied, die David aan Abner bewees, was zeer welgevallig aan het volk, en gaf hun de overtuiging dat hij volstrekt niet medeplichtig was aan de moord, vers 36, 37, hij was zeer begerig om de verdenking er van te voorkomen, opdat Joabs schelmstuk hem niet stinkende zou maken, zoals dat van Simeon en Levi Jakob stinkende heeft gemaakt, Genesis 34:30. Bij deze gelegenheid wordt gezegd: alles zoals de koning gedaan had, was goed in de ogen des gehelen volks, hetgeen aanduidt:
a. Zijn liefde voor het volk hij legde er zich op toe hun in alles welgevallig te zijn, en vermeed zorgvuldig alles wat onvriendelijk was.
b. Hun goede mening van hem, zij vonden dat alles wat hij deed wel gedaan was. Zulk een begeerte van de ene kant om genoegen te geven, en zo'n bereidwilligheid aan de andere zijde om alles van de beste kant te bezien, zal iedere betrekking en verhouding lieflijk en gemakkelijk maken.
6. Hij betreurde het dat hij niet veilig gerechtigheid kon oefenen aan de moordenaars vers 39. Hij was zwak, zijn koninkrijk was pas opgericht, de minste schudding of beroering zou het omverwerpen. Joabs geslacht had grote invloed, zij waren stoutmoedig en ondernemend, hen nu tot zijn vijanden te maken zou kwade gevolgen kunnen hebben. Deze zonen van Zeruja waren te veel, te machtig voor hem, te machtig om door de wet te worden gegrepen, en daarom hoewel het bloed van de moordenaar door de mens, door de magistraat "vergoten moet worden," Genesis 9:6, draagt David nu het zwaard tevergeefs en stelt hij zich tevreden om als een particulier persoon het oordeel aan God over te laten. De Here zal de boosdoener vergelden naar zijn boosheid Dit nu is:
a. Een verkleining van Davids grootheid. Hij is de gezalfde koning, en wordt toch in ontzag gehouden door zijn eigen onderdanen, en sommigen van hen zijn hem te sterk. Wie nu zou op macht gesteld zijn, als men haar in naam kan hebben en er voor verantwoordelijk is, en toch belemmerd wordt in de uitoefening ervan?
b. Van Davids Godsvrucht. Hij had zijn plicht behoren te doen, en aan God de gevolgen overlaten. "Fiat justitia, ruat caelem-Laat gerechtigheid geschieden al zou de hemel ook instorten." Indien het recht zijn loop had gehad tegen Joab, de moorden op Isboseth, Amnon en anderen zouden misschien voorkomen zijn. Het was een vleselijke staatkunde en wrede barmhartigheid, die Joab spaarde. De gerechtigheid ondersteunt de troon en zal hem nooit doen wankelen. Toch was het slechts een uitstel, dat Joab van David verkreeg, op zijn sterfbed heeft David aan Salomo bevolen gerechtigheid te oefenen Salomo kon het zwaard van de gerechtigheid beter hanteren, omdat hij het nooit nodig heeft gehad het krijgszwaard te voeren, hij moest Abners bloed wreken. Het kwaad vervolgt de zondaren, en zal hen ten laatste achterhalen. David heeft Abners zoon Jaäsiël bevorderd, 1 Kronieken 27:21.