2 Samuël 1:1-10
I. Hier is David zich weer vestigende te Ziklag, zijn eigen stad, nadat hij zijn gezin en zijn vrienden uit de handen van de Amalekieten gered had, hij was te Ziklag gebleven, vers 1. Vandaar zond hij nu geschenken aan zijn vrienden 1 Samuël 30:26, en daar was hij gereed hen te ontvangen, die tot zijn belangen overkwamen, geen mannen, die in benauwdheid waren of een schuldeiser hadden, zoals zijn eerste volgelingen, maar personen van rang en aanzien in hun eigen land, helden krijgslieden en hoofden van de duizenden, zoals wij zien in 1 Kronieken 12:1, 8, 20.
De zodanigen kwamen dag aan dag tot hem, God neigde hun hart om dit te doen, Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods, 1 Kronieken 12:22, zoals daar gezegd is.
De verborgen oorsprongen van een staatsomwenteling zijn onnaspeurlijk, maar moeten toegeschreven worden aan de leidingen van de voorzienigheid van God, die alle harten neigt en leidt als waterbeken.
II. Daar wordt hem het bericht gebracht van Sauls dood. Het was vreemd dat hij geen verkenners heeft uitgezonden om hem vroegtijdig bericht te geven van de uitslag van het gevecht, een teken, dat hij naar de dag van Sauls ellende niet verlangd heeft, ook niet ongeduldig was om ten troon te komen, maar wilde wachten totdat die tijdingen hem gebracht werden, die menigeen meer dan halverwege tegemoet gezonden zou hebben.
Die gelooft zal niet haasten, ontvangt de goede tijding als zij komt, en is niet onrustig terwijl zij nog op weg is.
1. De bode stelt zich aan David voor als een ijlbode, in de houding van een rouwbedrijvende over de overleden vorst en een onderdaan van diens opvolger. Hij kwam met gescheurde klederen en boog zich neer voor David, vers 2, zich er mee gelukwensende dat hij de eerste was, die de eer had hem hulde te doen als zijn souverein, maar het bleek dat hij de eerste was, die een doodvonnis van hem ontving, als van zijn rechter.
Hij zei aan David dat hij uit het leger Israëls kwam, en gaf hem de staat van verwarring te kennen waarin het zich bevond toen hij, naar hij zei er uit ontkomen was, daar het hem veel moeite had gekost om levend weg te komen, vers 3.
2. Hij geeft hem een algemeen bericht omtrent de afloop van de veldslag. David was zeer begerig te weten hoe de zaak stond, daar hij meer dan iemand anders redenen had om er zorg en belangstelling voor te hebben, en hij zei hem zeer bepaald dat het leger Israëls geslagen was zeer velen gedood waren, onder wie ook Saul en Jonathan, vers 4.
Hij noemt alleen Saul en Jonathan, omdat hij wist dat David het meest bezorgd was om hun lot, daar Saul de man was, die hij het meest vreesde, en Jonathan de man, die hij het meest liefhad.
3. Hij geeft hem een omstandiger bericht van de dood van Saul. Waarschijnlijk had David reeds door het bericht van anderen gehoord wat de uitslag was van de krijg, want het schijnt dat grote menigten op het gerucht van de nederlaag des legers tot hem gekomen waren, maar hij wilde gaarne zekerheid hebben omtrent de geruchten betreffende Saul en Jonathan, hetzij omdat hij niet haastig was om aan die geruchten geloof te schenken, of omdat hij zijn eigen aanspraken niet wilden laten gelden voordat hij er ten volle van verzekerd was.
Daarom vraagt hij: Hoe weet gij, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan? In antwoord hierop doet de jongen hem een verhaal, waaruit met volstrekte zekerheid blijkt dat Saul dood is daar hij zelf niet slechts bij zijn sterven tegenwoordig was, maar er zelfs de hand toe geleend heeft, en David dus op zijn getuigenis aan kon. Hij zegt in zijn verhaal niets van de dood van Jonathan, wetende hoe weinig aangenaam dit aan David zijn zou, maar spreekt slechts van Saul, denkende (zoals David maar al te goed begreep, Hoofdstuk 4:10) dat hij daarmee welkom zou wezen en er voor beloond zou worden als een, die goede tijding heeft gebracht.
Het bericht, dat hier van de zaak gegeven wordt is:
A. Zeer omstandig: dat hij kwam op de plaats waar Saul was, vers 6, als een voorbijganger, niet als een krijgsknecht.
Dat hij Saul vond pogende zich met zijn spies te doorsteken, daar niemand van hen, die bij hem waren, dit wilde doen, en hij schijnt er niet in geslaagd te zijn het zelf te doen, zijn hand beefde, en de moed ontzonk hem, de ongelukkige had geen moed meer om te leven of om te sterven.
Daarom riep hij deze vreemdeling tot zich, vers 7, vroeg van welke landaard hij was, want mits hij geen Filistijn was, zou hij gaarne van hem de genadeslag ontvangen, die hem uit zijn lijden zou verlossen. Vernemende dat hij een Amalekiet was (dus noch een van zijn eigen onderdanen, noch een van zijn vijanden, vraagt hij hem om deze gunst, vers 9.
Sta toch bij mij, en dood mij. Hij is zijn waardigheid moe en is bereid om vertreden te worden, hij is het leven moede en wil graag gedood worden. Wie zou dan onmatig aan het leven of aan eer en waardigheid willen hechten? Zelfs voor hen, die geen hoop hebben in hun dood, kan het geval zo staan, dat zij begeren te sterven, en de dood van hen zal vlieden. Openbaring 9:6.
Doodsangst is over mij, zo lezen wij vers 9, als een klacht over de smart en verschrikking, die over zijn ziel gekomen waren. Indien zijn geweten hem nu de werpspies voor ogen bracht, die hij naar David heeft geworpen, zijn hoogmoed, zijn boosaardigheid en trouweloosheid, en inzonderheid de moord van de priesters, dan is het geen wonder dat doodsangst over hem gekomen was, mollen (zegt men) openen hun ogen als zij sterven. Het gevoel van onvergeven schuld zal de dood in waarheid tot de koning van de verschrikking maken.
De kanttekening geeft de lezing als een klacht over de belemmering, die zijn kledij hem veroorzaakte dat zijn maliënkolder, die hij aanhad tot zijn bescherming, of zijn geborduurde krijgsrok, die hij als sieraad droeg, hem hinderde, zodat hij de spies niet ver genoeg in zijn lichaam kon doen doordringen, of hem zo benauwde, nu zijn lichaam opzwol van angst, dat hij de geest niet kon geven. Laat toch niemand hovaardig zijn op zijn klederen, want het kan gebeuren dat zij een last en een strik voor hem worden. "Zo stond ik bij hem", zegt deze jongeling, "en doodde hem", vers 10, bij welk woord hij misschien bemerkte dat David hem met misnoegen aanzag, en daarom voegt hij er de volgende woorden bij als verontschuldiging: want ik wist dat hij na zijn val niet leven zou, zijn leven was nog wel in hem, maar hij zou zeker de Filistijnen in handen zijn gevallen, of hij zou zichzelf nog een stoot hebben toegebracht."
B. Het is te betwijfelen of dit verhaal waar is. Indien het waar is, dan moet er Gods gerechtigheid in opgemerkt worden, dat Saul, die de Amalekieten had gespaard in minachting van het gebod Gods, van een Amalekiet zijn doodwonde ontving.
Maar de meeste Schriftuitleggers zijn van mening dat het onwaar was, en dat hij misschien wel tegenwoordig kan geweest zijn bij Sauls dood, maar er niet toe medegewerkt heeft, doch het slechts aan David zei in de hoop dat hij er hem voor zou belonen, alsof hij hem een groten dienst had bewezen. Zij, die zich verheugen over de val van een vijand zijn geneigd anderen af te meten naar zichzelf, en te denken dat ook zij er zich in zullen verblijden. Maar een man naar Gods hart moet men niet naar gewone mensen beoordelen. Het is mij niet duidelijk of het verhaal van deze jongen waar of niet waar was, het is wel overeen te brengen met het verhaal in het vorige hoofdstuk, en kan er een toevoegsel van wezen, zoals Petrus' bericht van de dood van Judas, Handelingen 1:18, een toevoegsel of aanvulling is van het verhaal in Mattheus 27:5. Wat daar een zwaard genoemd werd, kan hier een spies genoemd zijn, of, dat hij, toen hij in zijn zwaard viel, op zijn spies leunde.
Maar hij legde over wat een genoegzaam bewijs was van Sauls dood, de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was. Saul schijnt zo dwaselijk gehecht geweest te zijn aan die dingen, dat hij ze op het slagveld droeg, hetgeen hem tot een goed mikpunt maakte voor de boogschutters daar het hem onderscheidde van degenen, die hem omringden. Maar gelijk hoogmoed geen koude gevoelt (zoals wij zeggen.) zo vreest hoogmoed ook geen gevaar van hetgeen er door gestreeld wordt. Die dingen vielen in de handen van de Amalekiet. Saul had het beste van hun buit gespaard en nu kwam het beste van de zijnen in de handen van een uit die gevloekte natie. Hij bracht ze tot David als de rechtmatigen eigenaar, nu Saul dood was, niet twijfelende of hij zou zich door deze gedienstigheid bij hem aanbevelen voor de beste bevordering aan zijn hof of in zijn leger.
Volgens de overlevering van de Joden was deze Amalekiet een zoon van Doëg (want de Amalekieten waren nakomelingen van Edom), en dat Doeg die zij denken Sauls wapendrager te zijn geweest, eer hij zich het leven benam Sauls kroon en armgesmijde (de tekenen van zijn koninklijke waardigheid) aan zijn zoon gegeven heeft, en hem gebood ze tot David te brengen, ten einde er door in gunst bij hem te komen.
Maar er is generlei grond voor die waan, Doëgs zoon was waarschijnlijk zó wel bekend aan Saul, dat hij hem niet nodig had te vragen: Wie zijt gij? David heeft lang gewacht op de kroon, en nu wordt zij hem gebracht door een Amalekiet. Zie hoe God Zijn eigen voornemens van vriendelijkheid jegens Zijn volk tot stand kan brengen, zelfs door de boze bedoelingen van mensen, die niets anders op het oog hebben dan zichzelf te verheffen.