2 Samuël 19:16-23
Misschien heeft er, sedert Israël onder Jozua over de Jordaan trok, nooit zo plechtstatig een tocht over deze rivier plaatsgehad, en die vergezeld ging van zo merkwaardige voorvallen. In zijn treurige vlucht heeft David God inzonderheid gedacht "uit het land van de Jordaan" Psalm 42:7, en nu werd dit land meer dan enig ander opgeluisterd door de heerlijkheid van zijn terugkeer. Davids krijgslieden verschaften zichzelf de nodige vaartuigen om de rivier over te steken, maar voor zijn eigen gezin werd expresselijk een veerboot gezonden, vers 18, een vloot van boten, zeggen sommigen, er werd een schipbrug gemaakt, zeggen anderen, het beste vervoermiddel, waarmee zij hem konden dienen.
Twee merkwaardige personen kwamen hem aan de oever van de Jordaan tegemoet, die hem schandelijk behandeld hebben toen hij vluchtte.
I. Ziba, die hem met zijn gladde tong had misleid, en door zijn meester te beschuldigen de schenking van diens land van de koning had verkregen, Hoofdstuk 16:4. Groter onrecht had hij hem niet kunnen aandoen de door hem tot een daad te bewegen, die zo'n grote onvriendelijkheid was jegens de zoon van zijn vriend Jonathan. Thans komt hij met een gevolg van zonen en knechten de koning tegemoet, ten einde des konings gunst te verkrijgen, en er beter af te komen als Mefiboseth zich weldra zal zuiveren door hem de ware toedracht van de zaak te kennen te geven, vers 26.
II. Simeï, die hem mishandeld had met zijn vuile tong, hem beschimpte en vloekte. Hoofdstuk 16. Indien David de nederlaag had geleden, hij zou ongetwijfeld zijn voortgegaan met hem te vertreden en geroemd hebben in hetgeen hij had gedaan, maar nu hij hem in triomf ziet terugkeren, terugkeren op zijn troon, acht hij het in zijn belang om zich met hem te verzoenen. Zij, die thans de Zone Davids minachten en smaden, zouden, als Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, zich ook wel gaarne met Hem verzoenen, maar dan zal het te laat wezen. Om zich de koning aan te bevelen kwam Simeï:
1. In goed gezelschap, namelijk met de mannen van Juda, als hun belangen toegedaan.
2. Bracht hij een regiment mee van de mannen van Benjamin, duizend man sterk, waarvan hij misschien opperbevelhebber was en bood hun en zijn eigen diensten de koning aan, of misschien waren het vrijwilligers, die hij door zijn invloed bijeen had gebracht, om de koning tegemoet te gaan, hetgeen een zoveel groter beleefdheid was, omdat behalve deze en Juda, geen van de stammen Israëls verscheen om hem die eer te betonen.
3. Haastte hij zich te doen wat hij deed, hij verloor geen tijd, weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl hij nog met u op de weg is. Wij zien hier:
A. Hoe de misdadiger zich onderwerpt, vers 19, 20. Hij viel neer voor het aangezicht des konings vers 18, als een boetvaardige, een smekeling, en om zijn oprechtheid te tonen, deed hij het in het openbaar, in tegenwoordigheid van al de knechten van David en van zijn vrienden, de mannen van Juda, ja, en van zijn eigen duizend. De belediging was in het openbaar geschied, daarom behoort ook de onderwerping in het openbaar te geschieden. Hij bekent zijn misdaad. Uw knecht weet het zeker, ik heb gezondigd, hij verzwaart haar ik heb het verkeerdelijk gedaan, hij vraagt de koning om vergeving: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, dat is: handele niet met mij naar ik verdiend heb, hij geeft te kennen dat het beneden des konings grote en edelmoedige ziel is, om het zich ter harte te nemen, en hij pleit er op, dat hij spoedig tot zijn trouw is wedergekeerd, dat hij de eerste was van het gehele huis van Jozef (dat is: van Israël, dat in het begin van Davids regering zich van Juda had onderscheiden door Isboseth aan te hangen, Hoofdstuk 2:10) om de koning tegemoet te komen. Hij kwam het eerst, opdat door dit zijn voorbeeld van plichtsbetrachting de overigen er ook toe gebracht zouden worden, en door zijn ervaring van des konings genade de overigen aangemoedigd zouden zijn om te volgen.
B. Dat een voorstel gedaan wordt om gerechtigheid aan hem te oefenen, vers 21. Zou dan Simeï niet gedood worden als een verrader? Laat hem boven ieder ander tot een voorbeeld gemaakt worden. Het voorstel werd gedaan door Abisai, die zijn leven had willen wagen om hem ter dood te brengen toen hij de koning vloekte, Hoofdstuk 16:9. David achtte het toen niet voegzaam, dat dit gedaan zou worden omdat zijn rechtsmacht toen vervallen was, maar waarom zou, nu hij er weer in hersteld was, nu ook het recht zijn loop niet hebben? Abisai ging hierin meer te rade met hetgeen hij onderstelde Davids gevoel te zijn, dan met zijn waar belang. Vorsten hebben het nodig zich te wapenen tegen verzoeking tot strengheid.
C. Dat hij op `s konings bevel van rechtsvervolging werd ontslagen, vers 22, 23. Hij verwierp Abisai's voorstel en gaf er zijn misnoegen over te kennen. Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Hoe minder wij te doen hebben met hen, die van een toornig, wraakgierig gemoed zijn en ons aanzetten tot hetgeen hard en streng is, hoe beter. Hij beschouwt deze vervolgers als satans, dat is, als tegenstanders van hem, hoewel zij vriendschap voorwenden en ijver voor zijn eer. Zij, die ons aanraden te doen wat slecht is, zijn ons in werkelijkheid tot satans, tot tegenstanders.
a. Zij waren tegenstanders van zijn neiging tot goedertierenheid en genade. Hij wist dat hij heden koning was geworden over Israël hersteld en opnieuw bevestigd in zijn koninkrijk, en daarom neigde zijn eer hem tot vergeven. Het is de roem en eer van koningen om hun vergiffenis te schenken, die ootmoedig zijn en zich onderwerpen, "satis est prostrasse leoni-het is de leeuw genoeg, dat hij zijn slachtoffer heeft ternedergeworpen." Zijn vreugde neigde hem tot vergeven, het aangename van zijn gemoedsgesteldheid bij deze grote gelegenheid verzette zich tegen alles wat zuur en gemelijk was, blijde dagen moeten dagen zijn van vergevingsgezindheid. Maar dit was niet alles. Zijn ervaring van Gods genade, waardoor hij in zijn koninkrijk hersteld was-de verbanning er van had hij toegeschreven aan zijn zonde neigde hem om aan Simeï genade te betonen. Zij die vergeving hebben verkregen, moeten vergeving schenken. David had streng wraak geoefend over de belediging, zijn gezanten aangedaan door de Ammonieten, Hoofdstuk 12:31, maar ziet gemakkelijk de belediging voorbij, die hemzelf was aangedaan door een Israëliet. Die belediging was aan geheel Israël aangedaan, en raakte de eer van zijn kroon en koninkrijk, deze was zuiver persoonlijk, en kon daarom (naar de gewone gezindheid van Godvruchtige mensen) zoveel gemakkelijker vergeven worden.
b. Zij waren tegenstanders van zijn belang. Indien hij Simeï liet ter dood brengen, die hem had gevloekt, dan zullen diegenen hetzelfde lot verwachten, die de wapenen tegen hem hadden opgevat, werkelijk oorlog tegen hem hadden gevoerd, hetgeen hen van hem weg zou drijven, terwijl hij poogde hen tot zich te trekken. Daden van strengheid zijn zelden daden van politiek beleid. Door weldadigheid ondersteunt de koning zijn troon. Hierop wordt Simeï's vergiffenis bevestigd met een eed, doch waarschijnlijk onder voorbehoud van zijn verder goed gedrag, onderhevig blijvende aan vervolgd te worden indien hij zich later weer misdroeg, en zo werd hij gespaard om ter bestemder tijd evenzeer een gedenkteken te zijn van de gerechtigheid van de regering, als hij het nu was van haar goedertierenheid, en in beide van haar wijsheid.