2 Samuël 12:26-31
Wij hebben hier een bericht van de verovering van Rabba en andere steden van de Ammonieten. Hoewel dit hier verhaald wordt na de geboorte van Davids kind, is het toch hoogstwaarschijnlijk geruime tijd tevoren geschied en wel spoedig na de dood van Uria, misschien wel gedurende de dagen van Bathseba's rouw over hem.
Merk op:
1. God was zeer genadig door David die grote voorspoed op zijn vijanden te geven, niettegenstaande de zonde, waaraan hij zich schuldig had gemaakt, (juist in de tijd, toen hij die oorlog voerde) en het goddeloze gebruik dat hij van het zwaard van de kinderen Ammons had gemaakt in de moord op Uria. Rechtvaardig zou Hij dat zwaard van nu voortaan tot een kwelling hebben kunnen maken voor David en zijn koninkrijk, maar toch verbreekt Hij het, en maakt Davids zwaard zegevierend, zelfs voor hij nog tot berouw was gebracht over zijn zonde, opdat deze goedertierenheid Gods hem tot bekering zou brengen. Wel had David reden om te zeggen: "Hij doet ons niet naar onze zonden," Psalm 103:10.
2. Dat Joab zeer eerlijk en eervol heeft gehandeld, want toen hij de waterstad had ingenomen, de koninklijke stad, waar het paleis was, en van waar het overige van de stad van water voorzien werd, welk overig gedeelte van de stad daarom, toen die watertoevoer werd afgesneden, weldra genoodzaakt zou zijn zich over te geven, zond hij om David, opdat deze in persoon dit grote krijgsbedrijf zou komen voltooien, en hij er de roem van zou hebben, vers 26-28. Hierin toonde hij zich een getrouw dienaar, die zijns meesters eer zocht, en zijn eigen eer slechts na die van hem, en heeft hij een voorbeeld nagelaten aan de dienstknechten van de Here Jezus, om in alles wat zij doen Zijn eer op het oog te hebben. Niet ons, maar Uw naam geef eer.
3. Dat David bij die gelegenheid beide te hoogmoedig en te streng was, noch zo nederig noch zo teder van gemoed als hij had behoren te wezen.
a. Hij schijnt al te grote ingenomenheid gehad te hebben met de kroon van de koning van Ammon, vers 30. Omdat zij van buitengewone waardij was vanwege de edelgesteenten, die er aan waren, wil David haar op zijn eigen hoofd hebben, hoewel het beter geweest zou zijn haar aan de voeten Gods te werpen, en in die tijd zijn mond in het stof te leggen onder de bewustheid van schuld. Het hart, dat verootmoedigd is om de zonde, is dood voor wereldse eer en heerlijkheid, en ziet er met heilige verachting op neer.
b. Hij schijnt ook te hard geweest te zijn voor zijn krijgsgevangenen, vers 31. Daar hij de stad stormenderhand innam, nadat zij een langdurig en kostbaar beleg doorstaan had, zou hij, indien hij in de hitte van de strijd allen die hij met de wapens in de hand vond, met het zwaard had gedood, al streng genoeg geweest zijn, maar dat hij hen later in koelen bloede heeft gedood, en dat wel door wrede martelingen, hen met zagen en dorswagens in stukken scheurende, betaamde hem niet, die, toen hij aan de regering kwam, beloofde van goedertierenheid en recht te zullen zingen, Psalm 101:1. Indien hij alleen van hen, die zijn gezanten hadden mishandeld, die daad hadden aangeraden, of er behulpzaam in waren, voorbeelden had gemaakt, daar zij schuldig zijn geweest aan schending van het volkenrecht dan had dit als een daad van noodzakelijke gerechtigheid kunnen beschouwd worden, ter afschrikking van andere volken, maar die strengheid te oefenen aan alle steden van de kinderen Ammons, (dat is de garnizoenen of krijgslieden van de steden) was uiterst streng, en een teken dat Davids hart niet vertederd was door berouw, want anders zouden de ingewanden van zijn barmhartigheid niet aldus toegesloten zijn geweest. Het was een teken dat hij zelf nog geen genade had gevonden, want anders zou hij wel bereid zijn geweest genade te bewijzen.