1 Kronieken 20:1-3
Hoe het leger van de Ammonieten en hun bondgenoten verslagen werd te velde, lazen wij in de vorige hoofdstukken. Hier hebben wij de verwoesting van Rabba, de hoofdstad huns rijke, vers 1, het plaatsen van de kroon huns konings op Davids hoofd, vers 2, en de grote strengheid, waarmee gehandeld werd jegens het volk, vers 3. Wij hadden er een uitvoerig bericht van in 2 Samuël 11 en 12, en wij moeten hierbij wel gedenken dat, terwijl Joab Rabba belegerde, David in die grote zonde is gevallen in de zaak van Uria.
Maar het is opmerkelijk dat hoewel het overige van de geschiedenis herhaald wordt, die zaak stilzwijgend wordt voorbijgegaan, slechts een wenk, een aanduiding er van wordt gegeven in die woorden: maar David bleef te Jeruzalem, dat hier als in een tussenzin ligt.
Indien hij uitgegaan was met zijn leger, hij zou die verzoeking uit de weg zijn geweest, maar toegevende aan gemakzucht, viel hij in onkuisheid.
Gelijk nu het verhalen van de zonde waarin David gevallen is, een voorbeeld is van de onpartijdigheid en trouw van de gewijde schrijvers, zo is het niet herhalen er van, nu er gelegenheid was om er nogmaals van te spreken, bedoeld om ons te leren dat, hoewel er een goede, rechtmatige aanleiding kan zijn om van de fouten en misdragingen van anderen te spreken, wij er toch geen behagen in moeten scheppen om ze te herhalen. Dat moet altijd beschouwd worden als een onaangenaam onderwerp, dat wij wel niet kunnen vermijden om soms te ontmoeten, maar waarbij wij toch niet gaarne moeten verwijlen, evenmin als wij het aangenaam zouden vinden om een mesthoop op te rakelen. Als wij van personen of zaken geen goed kunnen zeggen, dan is het het best om er maar niets van te zeggen.