2 Samuël 12:15-25
Nathan, zijn boodschap overgeleverd hebbende, bleef niet aan het hof, maar ging naar huis, waarschijnlijk om voor David tot wie hij gepredikt had, te bidden. Door gebruik van hem te maken als het werktuig om David tot berouw en bekering te brengen, en als de heraut, beide van goedertierenheid en van oordeel, heeft God eer gelegd op de bediening en "Zijn woord boven Zijn gehele naam groot gemaakt," Psalm 138:2. David heeft een van zijn zonen bij Bathseba Nathan genoemd, ter ere van deze profeet, 1 Kronieken 3:5, en het was die zoon van wie Christus, de grote profeet, in rechte lijn afstamde, Lukas 3:31. Toen Nathan heenging, heeft David zich waarschijnlijk ook teruggetrokken en de 51sten psalm geschreven, waarin hij (hoewel hij verzekerd was dat zijn zonde hem was vergeven) vurig om vergeving bidt, en zijn zonde grotelijks betreurt, want ware boetvaardigen zullen zich schamen over hetgeen zij gedaan hebben, als God met hen verzoend is, Ezechiël 16:63.
I. Hier is de ziekte van het kind. De Here sloeg het kind, dat het zeer ziek werd, misschien door stuipen of door een andere kwaal, vers 15. De ziekte en de dood van kinderen, die niet gezondigd hebben in de gelijkheid van de overtreding van Adam, inzonderheid als zij daarbij soms in zeer treurige omstandigheden zijn, zijn duidelijk merkbare bewijzen van de erfzonde, waarin zij ontvangen zijn.
II. Davids verootmoediging onder dit teken van Gods misnoegen, en de voorbede, die hij deed bij God om het leven van het kind, vers 16, 17. Hij vastte en lag de nacht over op de aarde, en wilde zijn dienaren niet toelaten hem spijs te geven, of hem te helpen opstaan. Dit was een blijk van de oprechtheid van zijn berouw. Want:
1. Hieruit bleek dat hij de schande van zijn zonde wilde dragen, haar steeds voor ogen wilde hebben, dat zij hem voortdurend verweten zou worden, want dat kind zou er, als het in het leven bleef, voor hemzelf en voor anderen een voortdurende herinnering aan zijn geweest, en daarom is het zo ver van hem om zijn dood te begeren, zoals de meesten in gelijke omstandigheden doen, dat hij vurig bad om zijn leven. Ware boetvaardigen zullen geduldig de smaadheid hunner jeugd en van de lusten hunner jeugd dragen, Jeremia 31:19.
2. Er sprak een zeer tedere, meedogende gemoedsgesteldheid uit, grote menselijkheid meer dan gewoonlijk in mannen, inzonderheid in krijgslieden, gevonden wordt, jegens kleine kinderen, zelfs jegens hun eigen kinderen, en dit was nog een teken van een verslagen, verbroken hart, zij die boetvaardig zijn, zijn meedogend.
3. Hij toonde hierin grote zorg omtrent een andere wereld, hetgeen blijk is van berouw. Nathan had hem gezegd dat het kind voorzeker zal sterven, maar terwijl het nog onder het bereik is van het gebed, zendt hij vurige gebeden er voor op tot God, voornamelijk naar wij kunnen onderstellen dat de ziel des kinds veilig en zalig mocht wezen in de andere wereld, en dat zijn zonde niet aan hem zou bezocht worden, of het rampzalig zou doen zijn in de andere wereld.
4. Hij toonde hierin ook een heilige vreze voor God en Zijn misnoegen. Hij bad de dood van het kind af, voornamelijk omdat hij een teken was van Gods toorn over hem en zijn huis, en opgelegd werd ter vervulling van een bedreiging, daarom bad hij zo ernstig dat, zo het Gods wil was, het kind mocht leven, omdat dit een teken voor hem zijn zou, dat God met hem verzoend was. "O Here! straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid," Psalm 6:2.
III. De dood van het kind, het stierf op de zevende dag, vers 18, toen het zeven dagen oud was, en dus niet besneden was, hetgeen David misschien als nog een verder blijk van Gods misnoegen beschouwde, daar het stierf eer het onder het zegel des verbonds werd gebracht, toch twijfelt hij daarom niet aan de zaligheid des kinds, want de weldaden des verbonds hangen niet af van de zegelen. Davids dienaren, hem beoordelende naar henzelf, durfden hem niet zeggen dat het kind dood was, denkende dat hem dit nog meer zal ontroeren en ontrusten, zodat hij het niet te weten kwam voor hij er naar vroeg, vers 19.
IV. Davids verwonderlijke kalmte, toen hij hoorde dat het kind dood was. Let op:
1. Hetgeen hij deed.
a. Hij legde de tekenen van zijn smart af, wies zich en zalfde zich en vroeg om schoon linnen, teneinde betamelijk voor God te verschijnen in Zijn huis.
b. Hij ging in het huis des Heren en bad aan, zoals Job toen hij van de dood van zijn kinderen hoorde. Hij ging om de hand Gods te erkennen in de beproeving, en er zich onder te verootmoedigen, en er zich in te onderwerpen aan Zijn wil, God te danken dat hijzelf gespaard en zijn zonde vergeven was, en te bidden dat God niet zou voortgaan met hem te twisten, en niet Zijn gehele toorn tegen hem zou opwekken. Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Het wenen moet nooit het aanbidden in de weg staan.
c. Daarna kwam hij in zijn huis en verkwikte zich door spijs en drank, als iemand aan wie de Godsdienst goed gedaan heeft ten dage van zijn beproeving, want aangebeden hebbende, at hij, en zijn aangezicht was niet meer droevig.
2. De reden, die hij opgaf voor hetgeen hij gedaan heeft. Zijn dienaren vonden het vreemd dat hij zo bedroefd was om de ziekte van het kind, terwijl hij zo kalm bleef nu het gestorven was, en zij vroegen hem naar de reden hiervan, vers 21. In antwoord hierop geeft hij deze eenvoudige verklaring van zijn gedrag.
A. Dat terwijl het kind nog leefde hij het zijn plicht achtte Gods gunst er voor af te smeken, vers 22. Nathan had wel gezegd dat het kind zou sterven, maar voor zoveel hij wist, zou de bedreiging voorwaardelijk kunnen zijn, zoals die betreffende Hizkia. Het zou kunnen zijn dat op zijn diepe verootmoediging en vurig gebed, Hij, die zo dikwijls de stem zijns geweens heeft gehoord, het vonnis genadiglijk zou willen herroepen, en het kind sparen: Wie weet, de Here zou mij mogen genadig zijn? God veroorlooft ons vurig en dringend bij Hem te zijn in het gebed om bijzondere zegeningen, in vertrouwen op Zijn macht en algemene genade, hoewel wij geen bijzondere belofte hebben om op te steunen, wij kunnen geen zekerheid hebben voorde verhoring, maar laat ons toch bidden, wie weet de Here zou ons mogen genadig zijn in deze of die bijzondere zaak. In ziekte van onze bloedverwanten en vrienden heeft het gebed des geloofs veel vermocht, zolang er leven is, is er hoop, en zolang er hoop is, is er plaats voor gebed. B. Dat hij, nu het kind gestorven is evenzeer zijn plicht acht om te berusten in de Goddelijke beschikking, vers 23. Waarom zou ik nu vasten? Twee dingen beteugelen zijn smart.
a. Ik zal hem niet kunnen wederhalen, en wederom: hij zal tot mij niet wederkomen. De gestorvenen zijn buiten het bereik des gebeds, ook kunnen onze tranen hen niet baten, wij kunnen hen noch in dit leven terug wenen, noch in dit leven terug bidden. Waarom zouden wij dan vasten? Waartoe dit verlies? Toch heeft David gevast en geweend om Jonathan, toen hij dood was, hij deed dit ter ere van hem.
b. Ik zal tot hem gaan.
Ten eerste. Tot hem in het graf. Het denken aan onze eigen dood behoort onze smart te matigen over de dood van onze bloedverwanten en vrienden. Het is ons aller lot, laat ons, inplaats van te treuren over hun dood, aan onze eigen dood denken, en welk verlies wij nu ook in hen lijden, wij zullen weldra sterven, en tot hen gaan.
Ten tweede. Tot hem in de hemel, in de staat van de gelukzaligheid, waarvan zelfs de Oud- Testamentische heiligen wel enige verwachting hadden. Godvruchtige ouders hebben grotelijks redenen om te hopen dat het met de ziel hunner kinderen, die in hun kindsheid zijn, gestorven wel zal wezen in de andere wereld, want de belofte is aan ons en ons zaad, die vervuld zal worden aan hen, die geen grendel voor hun eigen deur schuiven, en dat doen kleine kinderen niet. "Favores sunt ampliandi-Ontvangen gunsten moeten de hoop op meerdere teweegbrengen." God noemt hen Zijn kinderen, die Hem geboren zijn, en als zij de Zijnen zijn, dan zal Hij hen behouden. Dit kan ons vertroosten, als onze kinderen door de dood van ons worden weggenomen, er is nu beter voor hen voorzien, beide ten opzichte van hun werk en van hun staat, dan in deze wereld voor hen voorzien kon worden. Weldra zullen wij met hen wezen, om nooit meer van elkaar te scheiden.
V. De geboorte van Salomo. Hoewel het de Here mishaagd had, dat David Bathseba huwde, heeft Hij hem toch niet bevolen van haar te scheiden, zo weinig was dit het geval dat God hem bij haar een zoon schonk, op wie het verbond van het koningschap zou overgaan. Bathseba was ongetwijfeld diep bedroefd onder de bewustheid van haar zonde en de tekenen van Gods misnoegen. Daar God echter aan David de vreugde Zijns heirs had wedergegeven, heeft hij haar vertroost met de vertroostingen, waarmee hij zelf van God vertroost is geworden, vers 24. David troostte zijn huisvrouw Bathseba. En beide hij en zij hadden reden vertroost te zijn in de tekenen, dat God met hen verzoend was.
1. In zover Hij door Zijn voorzienigheid hem een zoon heeft gegeven, niet zoals de vorige, die in toorn was gegeven en in toorn was weggenomen, maar een kind, genadig geschonken en geschreven ten leven in Jeruzalem. Zij noemden hem Salomo, vreedzaam omdat zijn geboorte een teken was dat God vrede met hen had, vanwege de voorspoed, die op hem zou overgaan, en omdat hij een type moest wezen van Christus, de Vredevorst. God had een zoon van hen weggenomen, maar nu gaf Hij hun een andere voor hem in de plaats, zoals Seth inplaats van Abel, Genesis 4:25. Zo vergoedt Gods dikwijls de smarten Zijns volks door hun zegeningen te geven, welke staan tegenover hun beproevingen, zodat de zegeningen opwegen tegen de beproevingen. David had zich zeer geduldig onderworpen aan de wil van God in de dood van het andere kind, en nu vergoedde God hem ruim en overvloedig het verlies er van in de geboorte van dit kind. Het middel om onze zegeningen voortdurend te mogen genieten, of, zo wij ze verloren hebben, ze terug te verkrijgen, is ze blijmoedig aan God over te geven.
2. In zover Hij door Zijn genade deze zoon bijzonder heeft bevoorrecht. De Here had hem lief, vers 24, vers 25. en gebood door de profeet Nathan, dat hij Jedid-Jah zou genoemd worden, dat is: Beminde des Heren, hoewel een zaad van boosdoeners, (want dat zijn David en Bathseba geweest) maar zo goed was het verbond geordineerd, en het erfrecht van de kroon verzekerd, dat het elke schandvlek en bederf van bloed wegnam, waarmee te kennen wordt gegeven, dat zij, die van nature kinderen des toorns en van de ongehoorzaamheid waren, door het verbond van de genade niet slechts verzoend, maar gunstgenoten zullen worden. En in die naam was hij een type van Jezus Christus, de gezegende Jedidjah, de Zoon van Gods liefde, van wie God telkens en nogmaals verklaard heeft: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in denwelken Ik Mijn welbehagen heb."