Job 24:13-17
Deze verzen beschrijven een andere soort van zondaren, die ongestraft heengingen, omdat hun misdeden verborgen bleven. Zij zijn onder de wederstrevers des lichts, vers 13. Sommigen verstaan dit in overdrachtelijke zin: zij zondigen tegen het licht van de natuur, het licht van Gods wet en van hun eigen consciëntie, zij belijden God te kennen, maar zij rebelleren tegen de kennis, die zij van Hem hebben, en willen er niet door geleid en geregeerd worden, er geen bevelen van ontvangen, en niet er door in bedwang worden gehouden. Anderen verstaan het in letterlijke zin: Zij hebben het daglicht, maar verkiezen de nacht als de voordeligste tijd voor hun goddeloos bedrijf. Zondige werken worden "werken van de duisternis genoemd, omdat die kwaad doet het licht haat." Johannes 3:20. Hij kent zijn wegen niet, dat is: blijft uit de weg ervan, of, zo hij gezien wordt blijft hij niet in de plaats waar hij denkt bekend te zijn. Zodat hij hier de ergste zondaren beschrijft: -hen die moedwillig zondigen, zondigen tegen de overtuiging van hun eigen geweten waardoor zij aan hun zonde nog rebellie toevoegen. Hen die zondigen met voorbedachten rade, met veel overleg, duizend kunstenarijen in het werk stellende om hun schelmerijen verborgen te houden, zich dwaselijk inbeeldende dat zij zo zij ze slechts voor het oog van de mensen verborgen kunnen houden, veilig zijn, maar vergeten dat er geen duisternis of schaduw des doods is, waarin de werkers van de ongerechtigheid zich kunnen verbergen voor Gods oog, Hoofdst. 34:22. Hij noemt drie soorten van zondaren, die het licht schuwen.
1. Moordenaars, vers 14. Met het licht staan zij op, zodra de dageraad aan de kim is verschenen, om arme reizigers te doden, die vroeg op weg zijn naar hun zaken, met een weinig geld of goed naar de markt gaan, en hoewel dit zo weinig is, dat zij werkelijk arm en nooddruftig genoemd kunnen worden, daar zij slechts met grote moeite een zeer armoedig levensonderhoud verdienen met het doen van zaken op de markt, zal toch de moordenaar om het te verkrijgen zijn naaste het leven benemen, en zijn eigen leven in de waagschaal stellen, zal liever weinig hebben dan niets, ja meer, hij doodt om te doden, meer dorstende naar bloed dan naar buit. Zie welk een zorg en moeite goddelozen aanwenden om hun boze plannen ten uitvoer te brengen, en laat dit ons beschaamd maken om onze traagheid en onverschilligheid in goed doen.
2. Overspelers. "De ogen, die vol zijn van overspel," 2 Petrus 2:14, de onkuise ogen, nemen de schemering waar, vers 15. Het oog van de overspelige vrouw deed dit, Spreuken 7:9. Overspel verbergt het hoofd van schaamte, de zondaren zelf, ook de onbeschaamdsten van hen, doen wat zij kunnen om die zonde te verbergen, "si non caste, samen caute-indien niet uit kuisheid, dan uit voorzichtigheid," en na al de armzalige pogingen van de werkers voor de hel, om er de schande van weg te nemen, is "hetgeen heimelijk van hen geschiedt schandelijk ook te zeggen," Efeziers 5:12. Het verbergt ook het hoofd uit vrees, wetende dat "jaloersheid een grimmigheid des mans is, die in de dag van de wraak niet zal verschonen" Spreuken 6:34, 35. Zie welke moeite zij doen, die het vlees verzorgen tot begeerlijkheden, moeite om het doel van dat verzorgen te bereiken, en dan om het te verbergen, en dat ten laatste toch op dood en hel voor hen uitloopt! Met minder moeite zouden zij het vlees kunnen kruisigen en doden, en die moeite zou ten laatste leven en de hemel voor hen zijn. Laat de zondaar zijn hart veranderen, dan behoeft hij zijn aangezicht niet te bedekken, maar mag het opheffen uit de gebreken. 3. Inbrekers, vers 16. Dezen tekenen zich des daags huizen, letten op de toegangen van een huis, zien aan welke zijde zij er zich het gemakkelijkst een weg in kunnen banen, en dan doorgraven zij des nachts de muur, hetzij om er te doden, of te stelen, of er overspel te bedrijven. De nacht begunstigt de aanval en maakt de verdediging moeilijk, want "de heer des huizes weet niet in welke ure de dief komen zal," en daarom slaapt hij, Lukas 12:39, en zo is hij met de zijnen aan gevaar blootgesteld. Om die reden wordt huisbraak bij nacht, gepleegd met misdadige bedoelingen, bij ons voor een misdaad verklaard, die, zo zij door een geestelijke werd bedreven, hem het voorrecht deed verliezen om door geen wereldlijke rechtbank geoordeeld te kunnen worden.
Eindelijk. Job merkt op (en misschien merkt hij het op als een deel van de tegenwoordige hoewel verborgen, straf van zodanige zondaren), dat zij in voortdurende vrees verkeren van ontdekt te zullen worden, vers 17. De morgenstond is hun tezamen de schaduw des doods. Het daglicht, dat aan eerlijke lieden welkom is, is voor slechte lieden een verschrikking. Zij vervloeken de zon, niet zoals de Moren omdat zij hen verschroeit, maar omdat zij hen doet ontdekken. Als iemand hen kent, zijn zij, daar hun geweten hen aanklaagt, gereed om hun eigen beschuldigers te worden, want zij zijn bevangen door de verschrikking van de schaduw des doods. Met de zonde is schande in de wereld gekomen, en eeuwige schande is er het einde van. Zie de rampzaligheid van de zonderen: zij zijn blootgesteld aan voortdurende angst, en zie toch ook hun dwaasheid: zij zijn bevreesd om de mensen onder de ogen te komen, maar hebben geen vrees voor Gods oog, dat altijd op hen gericht is, zij zijn niet bevreesd om datgene te doen, dat zij zozeer vrezen bekend te zien worden als door hen gedaan.