2 Kronieken 29:20-36
De tempel gereinigd zijnde, hebben wij nu een bericht van het goede gebruik, dat er terstond van gemaakt werd. Een plechtige vergadering werd bijeengeroepen, al op de volgende dag, om met de koning samen te komen in de tempel, vers 20, en ongetwijfeld waren alle vrome mensen in Jeruzalem blijde toen er gezegd werd: "Wij zullen in het huis des Heeren gaan", Psalm 122:1.
Zodra Hizkia vernam dat de tempel gereed voor hem was, liet hij geen tijd verloren gaan, maar toonde dat hij gereed was voor de tempel. Hij stond vroeg op om naar het huis des Heeren te gaan op die dag vroeger dan op andere dagen, om te tonen dat zijn hart in zijn werk aldaar was.
Het werk van die dag was tweeledig.
I. Er moest verzoening gedaan worden voor de zonden van de vorige regering. Zij achtten het niet genoeg die zonden te betreuren en te laten, zij brachten er ook een zondoffer voor. Zelfs ons berouw en onze bekering zullen geen vergeving voor ons verkrijgen dan in en door Christus, die zonde gemaakt is, dat wil zeggen: een zondoffer voor ons. Geen vrede dan door Zijn bloed, neen, zelfs niet voor berouwhebbenden en boetvaardiger.
Merk op:
1. Het zondoffer was voor het koninkrijk, voor het heiligdom en voor Juda, vers 21, dat is: om verzoening te doen voor vorsten, priesters en volk, want zij hadden hun weg verdorven.
De wet van Mozes gebood offeranden ter verzoening van de zonden van de gehele vergadering, Leviticus 4:13, 14 , Numeri 15:24,25 opdat de nationale oordelen, die hun nationale zonden verdienden, afgewend zouden worden. Hiervoor moeten wij thans het oog hebben op Christus, het grote zoenoffer, zowel als voor de vergeving en verlossing van particuliere personen.
2. De wet schreef slechts een geit voor ten zondoffer, Leviticus 16:15 bij zulke buitengewone gelegenheden als deze was, Numeri 15:24, maar hier hebben zij er zeven geofferd, vers 21, omdat de zonden van de vergadering zeer groot zijn geweest en zij er lang in volhard hebben.
Zeven is een getal van de volmaaktheid: ons groot zondoffer is slechts een, maar dat een heeft in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
3. De koning en de gemeente, (dat is: de vertegenwoordigers van de gemeente) legden de handen op de hoofden van de geiten, die voor het zondoffer waren, vers 23, waarmee zij zich schuldig verklaarden voor God, en hun begeerte uitdrukten dat de schuld des zondaars overgebracht mocht worden op het offer. Door het geloof leggen wij onze handen op de Heere Jezus, en zo verkrijgen wij de verzoening, Romeinen 5:11.
4. Met de zondoffers werden brandoffers geofferd, zeven varren, zeven rammen en zeven lammeren. De bedoeling van de brandoffers was eer te geven aan de God Israëls, die zij erkenden als de enigen waren God, hetgeen voegzaam was te doen terzelfder tijd dat zij door het zondoffer verzoening deden voor hun overtredingen. Het bloed daarvan, zowel als het bloed des zondoffers, werd op het altaar gesprengd, vers 22, om verzoening te doen voor het gehele Israël, vers 24, en niet alleen voor Juda.
Christus is een verzoening, niet alleen voor de zonden van Israël, maar "voor de zonde van de gehele wereld," 1 Johannes 2:1, 2.
5. Terwijl de offers verbrand werden op het altaar, zongen de Levieten het gezang des Heeren, vers 27, de psalmen, gedicht door David en Asaf, vers 30, met de muziekinstrumenten, waarvan God door Zijn profeten het gebruik had bevolen, vers 25, wat lange tijd verzuimd was geworden. Zelfs smart over de zonde moet ons de lust niet benemen om God te loven. Door het geloof moeten wij ons verblijden in Christus Jezus als onze gerechtigheid, en onze gebeden en lofzangen moeten met Zijn offerande opgaan naar de hemel, om alleen krachtens daarvan aangenomen te worden.
6. De koning en de gehele gemeente betuigden hun instemming met al wat gebeurd was door zich te buigen en te bidden, vers 29.
Uitdrukking gevende aan hun eerbied en ontzag voor de Goddelijke Majesteit door hun houding en door aanbidding.
Hier wordt nota van genomen, vers 28-30. Het is niet genoeg dat wij zijn waar God wordt aangebeden, wij moeten Hem ook zelf aanbidden, en dat niet slechts door lichamelijke oefening, die tot weinig nut is, maar met het hart.
II. De plechtigheden van die dag hadden nog een verdere strekking, de tempeldienst moest weer ingesteld worden, om nu voortdurend in stand te worden gehouden, en daartoe worden zij door Hizkia opgeroepen, vers 31.. "Nu gij uw handen de Heere gevuld hebt, verzoening hebt gedaan en een verbond hebt gemaakt door offerande, plechtig met Hem verzoend en aan Hem verbonden zijt, zo treedt nu toe en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis des Heeren."
Ons verbond met God moeten wij vastmaken door gemeenschapsoefening met Hem. Daar wij in de eerste plaats onszelf de Heere gewijd hebben, moeten wij vervolgens de offeranden van gebed en lofzegging en aalmoezen brengen tot Zijn huis. Bij dit werk nu werd bevonden:
1. Dat het volk niet karig was. Er door de koning toe opgewekt zijnde, brachten zij hun offeranden, wel niet in zo groten overvloed als in de glorierijke dagen van Salomo-want Juda was nu verminderd, verarmd en naar beneden gebracht-maar naar hun vermogen, en zoveel als men, hun armoede en het diep verval van de Godsdienst onder hen in aanmerking genomen-van hen verwachten kon.
a. Sommigen waren zo mild, dat zij brandoffers brachten, die tot eer van God geheel verbrand werden, en waarvan de offeraar dus geen deel had, van die soort waren er zeventig runderen, honderd rammen, en tweehonderd lammeren, vers 32.
b. Anderen brachten dankofferen en drankofferen, waarvan het vet op het altaar verbrand en het vlees tussen de priesters en de offeraars verdeeld werd, vers 35 van die soort waren er zeshonderd runderen en drie duizend schapen, vers 33. Misschien heeft de herinnering aan hun zonde in hun offeren op de hoogten hen nu bereidwilliger gemaakt om hun offeranden op Gods altaar te brengen.
2. Dat de priesters weinig in aantal waren te weinig voor de dienst, vers 34. Waarschijnlijk waren velen van hen geschorst, ter zijde gesteld als onrein, daar zij onder de vorige regering aan de afgoden geofferd hadden, en niet geheiligd zijnde, en dus onbevoegd, voerden zij dit ter verontschuldiging aan om van de dienst weg te blijven, alsof hun zonde, hun schuld, hun verontschuldiging kon zijn. Ter eeuwige schande van de priesters wordt hier vermeld dat zij, hoewel zo ruim bedeeld van de vuurofferen des Heeren, hun werk toch veronachtzaamden, hier was werk te doen, maar de geschikte en bevoegde handen om het te doen, ontbraken.
3. Dat de Levieten ijverig waren, de Levieten waren rechter van hart om zich te heiligen dan de priesteren, vers 34, waren het werk beter gezind, er meer op bereid en voor bevoegd. Dit was hun tot lof, en tot beloning er voor hadden zij de eer om gebruikt te worden voor hetgeen het werk van de priesters was, zij hielpen hen om van de brandofferen de huid af te trekken. Dit was niet overeenkomstig de wet, Leviticus 1:5, 6 , maar in gevallen van noodzakelijkheid werd deze onregelmatigheid voorbijgezien, en zo werd aanmoediging gegeven aan de getrouwe, ijverige Levieten, en de onverschilligen priesteren een schandmerk ingedrukt. Wat de Levieten misten in de ceremoniele voordelen van hun geboorte en wijding, werd hun ruimschoots vergoed in hun voortreffelijke eigenschappen van bekwaamheid en goeden wil voor het werk.
4. Dat allen voldaan waren. De koning en al het volk verblijdden zich in die gezegende ommekeer in de staat van de zaken en het nieuwe Godsdienstige aanzien van het koninkrijk, vers 36. Er waren twee dingen in deze zaak, die hun genoegen deden.
a. Dat zij spoedig tot stand was gekomen, deze zaak geschiedde haastelijk in weinig tijds, zeer geredelijk, en zonder enigen tegenstand.
Zij, die zich met geloof en vastberadenheid tot het werk Gods begeven, zullen bevinden dat het niet met zoveel moeilijkheid gepaard gaat als zij zich soms verbeeld hebben, en het zal hun een aangename verrassing zijn te zien, hoe spoedig het gedaan is.
b. Dat blijkbaar de hand Gods er in was. God had het volk bereid door de verborgen invloeden van Zijn genade, zodat velen van hen, die onder de vorige regering verzot waren op de afgodische altaren, nu liefde hadden voor het altaar Gods.
Deze verandering, die God in hun hart gewerkt had, heeft het werk bespoedigd en vergemakkelijkt. Laat de overheid en de bedienaren van de Godsdienst het hun doen voor de hervorming van een land, en dan op de Heere vertrouwen om het Zijne te doen, en Hem de eer toeschrijven van wat gedaan is, inzonderheid als het haastelijk gedaan, en aldus een aangename verrassing is. Dit is van de Heere geschied en het is wonderlijk in onze ogen.