2 Kronieken 25:1-13
Wij hebben hier:
I. Het algemene karakter van Amázia, hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, aanbad de ware God, hield de tempeldienst in stand en ondersteunde de Godsdienst in zijn rijk, maar hij deed het niet met een volkomen hart, vers 2, dat is: hijzelf was geen man van ernstige Godsvrucht en had geen ijver voor de Godsdienstoefeningen. Hij was er geen vijand van, maar een koel, onverschillig vriend. Dat is het karakter van maar al te velen in deze Laodicese tijd, zij doen wat goed is, maar niet met het hart, niet met een volkomen hart.
II. Een noodzakelijke daad van gerechtigheid, die hij volvoerde aan de verraders, die zijn vader hadden vermoord, hij doodde hen, vers 3.
Hoewel wij moeten onderstellen dat zij bedoeld hebben de dood des profeten op de koning te wreken, zoals in Hoofdstuk 24:25 te kennen wordt gegeven, kon dit hun goddeloze daad toch niet rechtvaardigen, want zij waren de wrekers niet, maar hebben hovaardig God het werk uit de handen genomen.
En zo heeft Amázia gedaan wat hem betaamde, door hen tot verantwoording te roepen er voor, maar daarbij hield hij zich binnen de regel van de wet die verbood de kinderen ter dood te brengen voor de zonde van de ouders, vers 4.
III. Zijn krijgstocht tegen de Edomieten, die enige tijd geleden van onder de heerschappij van Juda waren afgevallen, waaraan hij bedoelde hen wederom te onderwerpen.
Merk op:
1. De grote toebereidselen die hij maakte voor deze krijgstocht.
a. Hij monsterde zijn eigen krijgsmacht en rangschikte zijn troepen vers 5, en hij bevond dat hij in geheel Juda en Benjamin slechts drie honderd duizend man op de been kon brengen, die geschikt waren voor de krijg, terwijl er in Josafats tijd, vijftig of zestig Jaren tevoren, viermaal zoveel waren, de zonde verzwakt en vermindert een volk en ontmoedigt het.
b. Hij huurde hulptroepen uit het rijk van Israël, vers 6.
Bevindende dat zijn eigen rijk tekort kwam in manschappen trachtte hij door geld het tekort aan te vullen, en zo nam hij dan honderd duizend Israëlieten in dienst. Indien hij een van zijn profeten geraadpleegd had voordat hij dat deed, of slechts bedacht had hoe weinig voordelig een verbond met Israël voor zijn voorouders is geweest, dan zou hij niet nodig gehad hebben wat hij gedaan had weer ongedaan te maken. Maar roekeloosheid geeft oorzaak tot berouw.
2. Het bevel, dat God hem zond door een profeet, om de krijgsmacht van Israël uit zijn dienst te ontslaan, vers 7, 8. Hij wilde dat hij niemand te hulp zou roepen, want het had de schijn alsof hij God wantrouwde, als hij zich slechts verzekerde van Zijn hulp en tegenwoordigheid, dan was zijn eigen leger voldoende, maar hen inzonderheid moet hij niet te hulp roepen, want de HEERE is niet met alle kinderen Efraïms, omdat zij niet met Hem zijn, maar de kalveren aanbidden. Dat was een goede reden, waarom hij geen gebruik van hen moest maken, hij kon niet op hen rekenen om hem werkelijk van dienst te zijn. Welk goed kon hij verwachten van hen, met wie God niet is, op wier ondernemingen Zijn zegen niet rust? Het is lieflijk en aangenaam diegenen te gebruiken, van wie wij reden hebben te hopen dat zij invloed hebben in de hemel, maar het is gevaarlijk zich te vergezelschappen met hen, van wie de HEERE geweken is. De profeet verzekerde hem dat, zo hij volhardde in zijn besluit om deze afgodische, afvallige Israëlieten mee te nemen in de hoop zich hierdoor te versterken voor de strijd, het op zijn gevaar zou zijn, zij zouden een zware, onnutte last voor zijn leger blijken te zijn, het verraden en te gronde doen gaan, "God zal u doen vallen voor de vijand, en deze Israëlieten zullen het verderf zijn van uw zaak, want God is machtig u zonder hen te helpen, en u neer te werpen al hebt gij hen bij u."
3. Amázia's bezwaar tegen dit bevel en het bevredigende antwoord, dat de profeet hem gaf nopens dat bezwaar, vers 9. De koning had de mannen Israëls honderd talenten zilvers vooruit betaald. "Als ik hen nu wegzend," zegt hij, "dan zal ik dat geld verliezen". "Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden Israëls gegeven heb?" Dat is de tegenwerping, die de mensen dikwijls inbrengen tegen het doen van hun plicht, zij zijn bevreesd er verliezen door te lijden. "Zie daar niet op," zegt de profeet, "de HEERE heeft meer dan dit om u te geven, en gij kunt er staat op maken, dat Hij u door Hem geen verlies zal laten lijden. Wat zijn honderd talenten zilvers tussen u en Hem? Hij heeft middelen genoeg om u dat te vergoeden, het is bereden u er van te spreken." Een vast geloof in Gods algenoegzaamheid om ons door te helpen in het doen van onze plicht en alle schade en verlies, die wij lijden in Zijn dienst, ruim te vergoeden, zal Zijn juk zeer zacht en Zijn last zeer licht maken. Wat is vertrouwen op God anders dan gewillig te zijn het verlies van wat het ook zij voor Hem te dragen, in vertrouwen op het deugdelijke van de waarborg, die Hij ons geeft, dat wij door Hem niets zullen verliezen, maar dat alles ons vergoed zal worden? Als wij er tegenzin in hebben om van jets voor God en onze Godsdienst te scheiden, dan moet dit ons er mee bevredigen, dat Hij machtig is om ons veel meer dan dit te geven. Hij is rechtvaardig, en Hij is goed, en Hij is instaat om te betalen. De koning verloor honderd talenten zilvers door zijn gehoorzaamheid, en wij bevinden dat juist die som gegeven werd aan zijn kleinzoon Jotham als een geschenk, Hoofdstuk 27:5 , toen werd de hoofdsom terugbetaald en als interest tien duizend kor tarwe en even zoveel gerst.
4. Zijn gehoorzaamheid aan het bevel Gods, die vermeld is tot zijn eer. Hij wilde liever zijn geld verliezen, misnoegen verwekken bij zijn bondgenoten, en een vierde deel van zijn leger wegzenden juist op het ogenblik, dat hij tegen de vijand ging optrekken, dan God beledigen. Hij scheidde de benden af, die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen, vers 10. En zij gingen naar hun plaats in grote toorn, het als een grote belediging beschouwende om als het ware bespot te zijn geworden, en afgedankt als mannen, die niet geschikt waren om gebruikt te worden, en misschien teleurgesteld zijnde in hun verwachting van een aandeel aan de te behalen buit door zich met Juda te verenigen tegen Edom. De mensen zijn licht geneigd om zich te vertoornen over wat hun gewin of hun roem raakt, al worden zij daardoor ook van gevaar en moeite ontheven.
5. Hij triomfeert over de Edomieten, vers 11-12, tien duizend man heeft hij op het slagveld gedood, tien duizend gevangenen gemaakt die hij op barbaarse wijze allen ter dood bracht, door hen van de hoogte van een rots naar beneden te werpen. Wat hem er toe bracht om deze wreedheid jegens hen te oefenen, wordt ons niet gezegd, maar zij was zeer groot.
6. Het kwaad, dat de weggezonden krijgslieden van Israël aan de steden van Juda gedaan hebben, hetzij nu op hun terugkeer of later, vers 13.. Zij hebben het zo euvel opgenomen weggezonden te zijn, dat zij besloten om, nu zij niet met Juda mochten gaan om de roof van Edom te delen, Juda tot hun prooi te maken. Zij plunderden verscheidene open steden aan de grenzen en doodden drie duizend mannen, die weerstand boden. Maar waarom heeft God dit toegelaten? Was het dan niet uit gehoorzaamheid aan Hem, dat zij weggezonden waren, en moet het land er dan toch zo zwaar om lijden? Voorzeker! Gods weg is in de zee! Had de profeet niet gezegd dat God niet met de kinderen van Efraïm was, en toch wordt hun toegelaten te overmogen tegen Juda! Ongetwijfeld heeft God hiermede bedoeld deze steden van Juda te kastijden voor hun afgoderijen, die het meest gevonden werden in de delen des lands, die het dichtst bij Israël lagen. De mannen Israëls hadden hen verdorven, en nu werden zij hun tot een plaag. Satan verzoekt de mensen en pijnigt hen.