2 Corinthiërs 7:12-16
In deze verzen tracht de apostel de Corinthiërs te vertroosten, bij wie zijn bestraffingen zo goede uitwerking gehad hebben. En daarom:
1. Zegt hij hun dat hij in den vorigen brief hun welzijn bedoeld had, ofschoon men hem voor gestreng gehouden had, vers 12. Het was niet voornamelijk om diens wil, die onrecht gedaan had, niet alleen tot zijn welzijn, nog veel minder enkel opdat hij gestraft zou worden, ook was het niet om diens wil, dien onrecht gedaan was, namelijk de beledigde vader, en opdat die de meest mogelijke genoegdoening verkrijgen zou, maar het was om zijn groten en oprechten ijver en zijn vlijtigheid voor hen openbaar te maken, dat is voor de gehele gemeente, die er onder lijden zou wanneer men zulk wangedrag liet geworden met het daardoor verwekte schandaal, en dat zonder aanmerking of bestraffing blijven zou.
2. Hij deelt hun de blijdschap mede van Titus zowel als van hem zelven over hun berouw en goed gedrag. Titus was verblijd en zijn geest verkwikt door hun vertroosting, en dat vertroostte en verblijdde ook den apostel, vers 13. En gelijk Titus vertroost geworden was toen hij bij hen was, zo vertroostte en verkwikte de herinnering aan de genoten ontvangst hem nog, en werd zijn liefde jegens hen aangevuurd en vergroot door het herdenken van hun gehoorzaamheid aan de apostolische bevelen en aan hun vrezen en beven voor de toegediende bestraffing. Grote vertroosting en vreugde volgen op droefheid naar God. De zonde veroorzaakt altijd ellende, maar berouw en vernieuwing veroorzaken altijd blijdschap. Paulus was verkwikt, Titus was verkwikt, en de Corinthiërs waren vertroost, en wèl mag zulke blijdschap op aarde zijn, want er is blijdschap in den hemel over iedere zondaar, die zich bekeert.
3. Hij besluit deze gehele bespreking met de uitdrukking van het volkomen vertrouwen, dat hij in hen stelt, hij was niet beschaamd over zijn roem over hen bij Titus, vers 14, want hij was niet teleurgesteld in de verwachting, die hij van hen had, welke hij Titus betuigd had, en hij kon nu met grote blijdschap verklaren welk vertrouwen hij nog in hen had ten opzichte van alle dingen, zodat hij voor het vervolg niet aan hun goed gedrag twijfelde. Het strekt een getrouw dienaar tot grote blijdschap en troost met mensen te doen te hebben, die hij vertrouwen kan e n van wie hij reden heeft te verwachten dat ze alles zullen navolgen, wat hij hun voorstelt ter ere Gods, tot aanbeveling van het Evangelie en tot hun eigen voordeel.