2 Corinthiërs 2:5-11
In deze verzen behandelt de apostel de zaak van den hoereerder, op wie de ban toegepast was, en naar het schijnt was dit een der hoofdredenen voor het schrijven van dezen brief. Hier merken we op:
1. Hij zegt hun dat het misdrijf van dien man ten dele hem bedroefd had, en dat hij dus ten dele met hen bedroefd geweest was, die, ofschoon die schande onder hen gevonden werd, opgeblazen waren en geen leed gedragen hadden, 1 Corinthiërs 5:2. Hij was evenwel onwillig een te zwaren last op de gehele gemeente te leggen, vooral omdat zij zich in deze zaak gerechtvaardigd had door de vroeger door hem gegeven voorschriften te volgen.
2. Hij zegt hun dat de straf, op den overtreder toegepast, voldoende geweest is, vers 6. De begeerde uitwerking was verkregen, want de man was verootmoedigd en zij hadden bewijs gegeven van gehoorzaamheid aan zijne voorschriften.
3. Daarom vraagt hij hun thans, zo spoedig mogelijk den persoon die in de ban gedaan was te herstellen en weer in hun gemeenschap op te nemen, vers 7, 8. Dit wordt op verscheidene wijzen herhaald. Hij verzoekt hen hem te vergeven, dat is den ban op te heffen, want zij konden de schuld en belediging tegen God niet kwijtschelden, maar in vele gevallen spruit de vertroosting van boetelingen voort niet alleen uit hun verzoening met God, maar evenzo met de mensen, die zij geschandvlekt of beledigd hebben. Die moeten hen evengoed van hun liefde verzekeren, dat is: zij moeten bewijzen dat hun bestraffingen en afwijzingen voortkomen uit liefde tot den persoon evenzeer als uit haat tegen de zonde, en dat het doel was hen te verbeteren, niet te verwoesten. Of anders: indien zijn val hun liefde voor hem verzwakt had, zodat ze niet zoveel welgevallen in hem konden hebben als vroeger, toch, nu hij door berouw weer hersteld was, moesten zij hem hun liefde vernieuwen en bevestigen.
4. Hij gebruikt verscheidene gewichtige beweegredenen om hen daartoe over te halen.
A. De toestand van den boeteling pleitte er voor, want deze liep gevaar door al te grote droefheid verslonden te worden, vers 7. Hij voelde zijn overtreding zo diep en was zo bedroefd over de straf, dat hij gevaar liep van tot wanhoop te vervallen. Wanneer droefheid onmatig wordt doet zij kwaad, en zelfs droefheid over onze zonden is te groot, wanneer zij ongeschikt voor onze plichten maakt, of tot wanhoop drijft.
B. Zij hadden gehoorzaamheid aan zijn voorschriften getoond door den ban toe te passen op den overtreder, nu verlangde hij dat zij die gehoorzaamheid volkomen zouden maken door volgens zijn begeerte hem weer aan te nemen, vers 9.
C. Hij vermeldt zijne bereidheid om den boeteling te vergeven, en met hen in deze zaak overeen te stemmen. Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik ook, vers 10. Ik zal het gaarne met u eens zijn, indien gij hem vergeeft. En dat zal hij doen om hunnentwille, uit liefde voor hen en tot hun welzijn, en om Christus' wil, of in Zijn naam, als Zijn apostel, en volgens Zijn leer en voorbeeld, welke zo vol vriendelijkheid en tedere barmhartigheid zijn voor allen, die waarlijk berouw gevoelen. D. Hij geeft een andere gewichtige reden op: Opdat de Satan over ons geen voordeel krijge, vers 11. Niet alleen bestond er gevaar dat de Satan voordeel verkrijgen zou over den boeteling, door hem tot wanhoop te drijven, maar evenzeer over de gemeente, en den apostel en de dienaren van Christus, door hen als te streng en te gevoelloos af te schilderen en zo de mensen af te schrikken van tot hen te naderen. Hierin, zowel als in andere dingen is wijsheid om te besturen nodig, om een zaak zo te leiden dat de bediening des Woords niet gelasterd worde, aan de ene zij door het verdragen van de zonde, en aan den anderen kant door te grote gestrengheid tegen de zondaren. Satan is een listige vijand, die allerlei listen gebruikt om ons te bedriegen, en zijne gedachten mogen ons niet onbekend zijn. Hij is ook een zeer waakzaam tegenstander, gereed om alle voordelen op ons te gebruiken, en wij behoren zeer op onze hoede te zijn dat we hem daartoe geen gelegenheid geven.