2 Corinthiërs 11:5-15
Na de voorrede in de vorige verzen, vermeldt de apostel in deze verzen:
I. Zijn gelijkheid met de andere apostelen, dat hij nergens minder in geweest is dan de uitnemendste apostelen, vers 5. Hij drukt dat zeer bescheiden uit: Ik acht dat... Hij had op zeer stelligen toon kunnen spreken. Het apostelschap, als roeping, was bij alle apostelen gelijk, maar de apostelen, evenals alle andere Christenen, waren onderlingverscheiden. Ook deze sterren verschilden van elkaar in heerlijkheid, en Paulus was zeker een van de eerste grootte. Toch spreekt hij zeer bescheiden over zich zelven, en erkent nederig zijn persoonlijke onvolkomenheden, bijvoorbeeld, dat hij slecht in woorden was, volstrekt niet zo welbespraakt als anderen. Sommigen menen dat hij klein van gestalte was en dat zijn stem in overeenstemming daarmee zeer zwak was. Anderen houden het er voor dat hij een spraakgebrek had, misschien stotterde. Evenwel: hij was niet slecht in wetenschap, hij was vertrouwd met de beste regelen van de redeneerkunst en met de kunst van overreding, en nog veel meer was hij thuis in de geheimen van het koninkrijk der hemelen, zoals duidelijk onder hen openbaar geworden was.
II. Zijn gelijkheid met de valse apostelen in dit opzicht, de prediking van het Evangelie onder hen, om niet, zonder bezoldiging. De apostel staat hier in het brede bij stil en toont aan dat zij niet alleen hem hadden te erkennen als een goed dienaar van Christus, maar niet minder als een goed vriend. Want:
1. Hij had hun het Evangelie gepredikt om niet, vers 7-10. In zijn vorigen brief had hij uitvoerig bewezen, dat de dienaren recht hebben op bezoldiging van de gemeente en dat de gemeenten verplicht zijn hun een behoorlijk inkomen te verschaffen. Hier zegt hij zelf dat hij bezoldiging aangenomen heeft van andere gemeenten, vers 8, zodat hij het recht gehad had het ook van hen te vragen en te ontvangen. Toch had hij van dit recht afstand gedaan en verkozen liever zich zelven te vernederen, door met eigen handen in het beroep van tentenmaker te arbeiden om in zijn onderhoud te voorzien, dan hen lastig te vallen en te bezwaren, opdat ze aangespoord mochten worden om het Evangelie aan te nemen, dat zij zo goedkoop verkregen. Ja hij verkoos liever uit Macedonië ondersteund te worden dan hun lastig te vallen.
2. Hij deelt hun mede wat de oorzaak van dit gedrag was. Het was niet omdat hij hen niet liefhad, vers 11, of omdat hij onwillig zou zijn de bewijzen van hun liefde te ontvangen, (want liefde en vriendschap worden betoond door wederkerig geven en ontvangen). Maar het was om beledigingen te voorkomen, om de oorzaak af te snijden aan degenen, die oorzaak hebben willen. Hij wilde niemand oorzaak geven om hem te beschuldigen van wereldse bedoelingen bij de prediking van het Evangelie, of dat hij getracht had er een koopmanschap van te maken om zich zelven te verrijken, en dat anderen, die hem te Corinthe tegenstonden, in dit opzicht niet enig voordeel op hem verkrijgen mochten, opdat in hetgeen zij, in deze zaak, roemden zij bevonden mochten worden gelijk als hij, vers 12. Het is niet onwaarschijnlijk dat het hoofd van de valse leraren te Corinthe, of meerderen hunner, rijk waren en de mensen om niet onderwezen (of misleidden), ten einde den apostel en zijn medearbeiders te kunnen beschuldigen van het drijven van koopmanschap, omdat zij bezoldiging aannamen, en dat daardoor de apostel tot besluit kwam om van geen der Corinthiërs iets aan te nemen. III. Hij beschuldigt de valse apostelen van bedrieglijke werkers te zijn, vers 13, en dat wel omdat zij zich veranderden in de gelijkenis van apostelen van Christus en, ofschoon zij dienaren van Satan waren, zich voordeden als dienaren der gerechtigheid. Zij waren even vindingrijk en even vrijgevig in het verbreiden van dwaling als de apostelen waren in de prediking der waarheid, zij ondernamen evenveel om het koninkrijk van Christus te ondermijnen als de apostelen om het te vestigen. Er waren nagemaakte profeten onder het Oude Verbond, die de kleding droegen en de uitdrukkingen bezigden van de profeten des Heeren. Zo waren er ook nagemaakte apostelen onder het Nieuwe Verbond, die in vele opzichten op de ware apostelen des Heeren geleken. En geen wonder, zegt de apostel, huichelarij is niet iets waarover men zich in deze wereld sterk verwonderen moet, voornamelijk wanneer men let op den groten invloed op de harten van velen uitgeoefend door Satan, die nu werkt in de harten van de kinderen der ongehoorzaamheid. Hij kan zich zelven in allerlei gedaanten veranderen en allerlei vormen aannemen, soms wel dien van een engel des lichts, om daardoor het rijk der duisternis te doen komen. Hij kan dus zijn dienaren en werktuigen wel leren hetzelfde te doen. Maar er volgt: Hun einde zal zijn naar hun werken, vers 15, het einde zal zijn, dat ze openbaar worden als bedrieglijke arbeiders en hun werk zal uitlopen op verwoesting en vernietiging.