2 Koningen 5:20-27
Naäman, een Syriër, een hoveling, een krijgsman, had veel dienaren, en wij hebben gezien, hoe verstandig en goed zij waren, vers 13. Elisa, een heilige profeet, een man Gods heeft slechts een dienaar, en hij blijkt een minne leugenaar te zijn. Zij, die van Elisa op een afstand hadden gehoord, eerden hem, en ontvingen goeds uit hetgeen zij gehoord hadden, maar op hem, die gedurig voor zijn aangezicht stond om zijn wijsheid te horen, was noch door zijn leer, noch door zijn wonderen een goede indruk gemaakt. Men zou verwacht hebben dat Elisa's dienaar een heilige zou zijn, (zoals Achabs dienaar Obadja een heilige was) maar zelfs Christus had een Judas onder zijn volgelingen. De middelen van de genade kunnen geen genade geven. De beste mensen, de beste leraren hebben dikwijls personen om zich heen gehad, die hun tot smart en schande waren. Hoe dichter bij de kerk, hoe verder van God. Velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham en Izak en Jakob aanzitten in het koninkrijk van de hemelen, en de kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden.
Hier is:
I. Gehazi's zonde. Het was een samengestelde zonde.
1. Geldgierigheid, de wortel van alle kwaad, was op de bodem er van. Zijn meester verachtte de schatten van Naäman, maar hij begeerde ze, vers 20. Zijn hart, zegt bisschop Hall, was in Naämans koffers, en hij moet hem nalopen, om het te halen. Door wereldse rijkdom te begeren, zijn zeer velen van het geloof afgedwaald, en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken.
2. Hij keurde het af, dat zijn meester Naämans geschenk had afgewezen, hij veroordeelde hem als een dwaas, door goud te weigeren, dat hem wordt aangeboden, benijdde zijn vriendelijkheid en edelmoedigheid jegens deze vreemdeling, al was het ook tot welzijn van zijn ziel. Kortom, hij dacht wijzer te zijn dan zijn meester.
3. Toen Naäman, als iemand van fijne, beschaafde manieren van zijn wagen afklom om hem tegemoet te gaan, vers 21, zei hij hem een opzettelijke leugen, namelijk dat zijn meester hem tot hem gezonden had, en zo ontving hij voor zich wat Naäman voor zijn meester bestemd had.
4. Hij belasterde zijn meester, en stelde hem laaghartig aan Naäman voor, alsof hij spoedig berouw had van zijn edelmoedigheid, als iemand, die wispelturig was, zelf niet wist wat hij wilde, iets zei en het dan weer herriep, op iets zwoer en dan weer zijn eed terugnam, geen edelmoedige daad kon doen of hij moest haar terstond weer ongedaan maken. Zijn verhaal van de twee zonen van de profeten was even dom als leugenachtig, als hij om een teken voor twee jonge scholieren verzocht zou hebben dan zou daar waarlijk wel minder dan een talent zilver voor volstaan hebben.
5. Er was gevaar dat hij Naäman van die heilige Godsdienst zou vervreemd hebben, die hij had omhelsd en er zijn goede mening van verminderd zou hebben. Hij zal gereed zijn te zeggen, wat Paulus' vijanden omtrent hem te kennen gaven, 2 Corinthiers 12:16, 17, namelijk dat Elisa zelf hem wel niet bezwaarde, maar, listig zijnde, hem met bedrog gevangen heeft, diegenen zendende, die voordeel van hem zochten. Wij hopen dat hij later vernomen heeft, dat Elisa's hand er niet in was, en dat Gehazi genoodzaakt werd terug te geven wet hij onrechtvaardig had verkregen, want anders zou het hem weer naar zijn afgoden hebben kunnen drijven.
6. Dat hij zijn onrechtvaardig verkregen goed zocht te verbergen heeft zijn zonde zeer verzwaard.
a. Hij verborg het, zoals Achan zijn door heiligschennis verkregen gewin verborgen heeft, in de toren, een geheime, versterkte plaats, totdat hij gelegenheid zou hebben om het te gebruiken, vers 24, hij kwam tot de toren. Nu dacht hij zich in het zeker en veilig bezit er van, en hij juichte zijn goed beleid bij het bedrog toe, waardoor hij niet alleen Naämans voorzichtigheid had verschalkt maar ook evenzeer Elisa's onderscheidingsvermogen, zoals Ananias en Saffira de apostelen meenden te bedriegen.
b. Hij ontkende het, hij kwam in, en stond voor zijn heer, gereed om zijn orders te ontvangen. Niemand had meer de schijn van gehecht te zijn aan zijn heer, hoewel in werkelijkheid niemand meer schadelijk voor hem was. Hij dacht zoals Efraïm: "ik ben rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen, in al mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden, die zonde zij", Hosea 12:8. Zijn heer vroeg hem waar hij geweest was. "Nergens, mijn heer," zei hij, "nergens buitenshuis." De ene leugen brengt gewoonlijk de andere voort, de weg van die zonde is bergafwaarts, heb dus de moed waar te zijn.
II. De straf van deze zonde. Elisa riep hem terstond tot verantwoording, en merk nu op:
1. Hoe hij van schuld overtuigd werd. Hij dacht de profeet te bedriegen, maar hem werd spoedig te verstaan gegeven, dat de Geest van de profetie niet bedrogen kan worden, en dat het tevergeefs was de Heilige Geest te liegen. Elisa kan hem zeggen:
a. Wat hij gedaan had, hoewel hij het had ontkend. Gij zegt dat gij nergens heengegaan zijt, maar ging niet mijn hart mede? vers 26. Moest Gehazi nu nog leren dat profeten geestelijke ogen hebben? Of dacht hij iets te kunnen verbergen voor een ziener, voor hem met wie de verborgenheid des Heeren is? Het is dwaasheid te durven zondigen in de hoop op geheimhouding. Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, en een valse tong is maar voor een ogenblik. De waarheid zal uitkomen, en dikwijls komt zij op vreemde wijze aan het licht tot beschaming van hen, die de leugen tot hun toevlucht hebben gesteld.
b. Wat hij zich voornam, hoewel hij dat in zijn eigen borst verborgen hield. Hij kon hem tot zelfs de gedachten en voornemens zijns harten zeggen: dat hij, nu hij deze twee talenten zilvers verkregen had, van plan was grond te kopen en vee, Elisa's dienst te verlaten en zich voor eigen rekening te vestigen. Al de dwaze verwachtingen en bedenkselen van vleselijk-gezinde wereldlingen liggen open voor God. En hij wijst hem ook op het kwaad er van: Was het een tijd om zilver te nemen? Is dit een gelegenheid om u te verrijken? Kon gij geen beter middel vinden om geld te verkrijgen dan door uw meester te beliegen en een struikelblok voor de voeten eens pas bekeerden te leggen?" Zij, die wanneer en door welk middel dan ook, of het goed of slecht is, rijkdom willen verkrijgen, stellen zich bloot aan zeer veel verzoeking. Zij, die rijk willen worden "(per fas, per nefas, rem, rem, quocunque modo rem door recht of door onrecht, onverschillig voor beginselen", slechts op geld uit) "doen zich verzinken in verderf en ondergang," 1 Timotheus 6:9. Oorlog, en brand, en pestilentie, en schipbreuk zijn niet, zoals velen ze maken, gelegenheden om er geld door te verkrijgen. Het is geen tijd om onze rijkdom te vermeerderen, wanneer wij het niet anders kunnen doen dan door middelen, die onterend zijn voor God en Godsdienst of schadelijk voor onze broederen of voor het publiek.
2. Hoe hij er voor gestraft werd. De melaatsheid van Naäman zal u aankleven, vers 27. Indien hij zijn geld wil hebben, zal hij er zijn ziekte bij hebben. "Transit cum onere-het gaat aan u over met de lasten". Hij bedacht akkers na te laten aan zijn geslacht, maar in plaats daarvan laat hij een walgelijke kwaal na aan zijn zaad van geslacht tot geslacht. Het vonnis werd terstond voltrokken aan hemzelf niet spoediger gezegd dan gedaan, hij ging hij van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw. Aldus is hij geschandvlekt, onteerd, en draagt hij de tekenen van zijn schande overal waar hij heengaat, aldus laadt hij op zich en zijn geslacht een vloek, die niet slechts voor het ogenblik zijn slechtheid zal bekendmaken, maar er de gedachtenis van zal vereeuwigen. "Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedreven ijdelheid dergenen, die de dood zoeken," Spreuken 21:6. Zij, die rijkdom verkrijgen door bedrog en onrechtvaardigheid, kunnen er noch genot noch bestendigheid van verwachten. Wat was het Gehazi nut, dat hij zijn twee talenten verkregen heeft, nu hij er zijn gezondheid, zijn eer, zijn vrede, zijn dienst en-zo het niet door berouw en bekering voorkomen werd-zijn ziel door verloor? Zie Job 20:12 en verv.