2 Koningen 25:8-21
Hoewel wij reden hebben te geloven dat het leger van de Chaldeërs zeer verwoed was op de stad vanwege haar langdurige hardnekkige tegenstand, hebben zij daarom toch niet zodra zij de stad genomen hadden, alles te vuur en te zwaard verwoest, (wat gewoonlijk geschiedt in zulke gevallen), maar ongeveer een maand later (vergelijk vers 8 met vers 1, werd Nebuzaradan gezonden met orders om de verwoesting van Jeruzalem te voltooien.
Deze tijdsruimte gaf God hun om zich te bekeren na al de vorige dagen van Zijn lankmoedigheid, maar tevergeefs, voorzoveel blijkt was hun hart nog verhard, en daarom wordt het oordeel nu tot het uiterste voltrokken.
1. De stad en de tempel werden verbrand vers 9. Het blijkt niet dat de koning van Babel voornemens was om kolonies te zenden om Jeruzalem te bevolken, en daarom gebood hij dat het, als een nest van rebellen, in de as gelegd moest worden.
Over het verbranden van het huis des konings en van de groten kan men zich niet zeer verwonderen, (de inwoners hadden ze door hun zonden brandbaar gemaakt) maar dat het huis des Heeren in deze vlammen zou vergaan, dat dit heilig en heerlijk huis met vuur verbrand zou worden, Jesaja 64:11, is zeer vreemd, dat huis, waarvoor David toebereidselen heeft gemaakt, en dat Salomo met zo grote onkosten gebouwd heeft, dat huis, waarop te allen dage Gods hart en Zijn ogen waren, 1 Koningen 9:3, had dat niet als een vuurbrand uit dat vuur gerekt kunnen worden? Neen, het moet, tegen Gods oordelen, niet onbrandbaar zijn, dit statige, majestueuze gebouw moet in de as gelegd worden en wel waarschijnlijk met de ark, want de vijanden hadden gehoord hoe duur het misbruiken daarvan de Filistijnen te staan is gekomen, en durfden haar dus niet medenemen, ook hebben haar vrienden geen zorg gedragen om haar te behouden, want dan zouden wij wel van haar gehoord hebben in de tweede tempel.
Wel zegt ons een schrijver van een van de apocriefe boeken dat de profeet Jeremia haar uit de tempel wist te krijgen en haar in een spelonk van de berg Nebo aan de andere kant van de Jordaan heeft verborgen, 2 Macab. 2:4, 5, maar dat kon niet, daar Jeremia toen in strenge gevangenschap was.
Door het verbranden van de tempel heeft God willen tonen hoe weinig Hem gelegen is aan uitwendige pracht in Zijn eredienst, als het leven en de kracht van de Godsdienst veronachtzaamd worden.
Het volk bebouwde op de tempel, alsof die hen in hun zonden zou beschermen, Jeremia 7:4, maar hierdoor liet God hun weten dat zij, als zij hem ontheiligd hebben een leugen tot hun toevlucht gesteld hebben. Deze tempel had daar nu ongeveer vierhonderd en twintig, sommigen zeggen vierhonderd en dertig, jaren gestaan, het volk had de beloften verbeurd, die nopens hem gedaan waren, en nu moeten die beloften verstaan worden van de Evangelietempel, die Gods ruste is tot in eeuwigheid. Het is opmerkelijk dat de tweede tempel door de Romeinen verbrand werd in dezelfde maand en op dezelfde dag dier maand, waarop de eerste tempel verbrand werd door de Chaldeen, hetgeen, zegt Josefus, de tienden Augustus is geweest.
2. De muren van Jeruzalem werden afgebroken, vers 10, alsof het zegevierende leger er zich op wilde wreken, dat zij het zolang buiten de stad hadden gehouden, of tenminste eenzelfde tegenstand voor het vervolg wilde voorkomen.
De zonde neemt de beschermende omheining weg van een volk. Deze muren werden nooit herbouwd voordat Nehemia het gedaan heeft.
3. Het overblijfsel van het volk werd gevankelijk naar Babel gevoerd, vers 11.
De meesten van de inwoners waren omgekomen door het zwaard of door de hongersnood, of waren met de koning gevlucht, want er wordt gezegd in vers 5 :zijn heir werd van bij hem verstrooid, zodat er slechts weinigen overgebleven waren, die met de deserteurs-allen tezamen slechts achthonderd en twee en dertig personen-zoals blijkt uit Jeremia 52:29, gevankelijk weggevoerd werden, alleen de armsten des lands werden achtergelaten, vers 12, om de grond te bebouwen en wijngaardeniers te zijn voor de Chaldeën.
Soms is armoede een bescherming, want zij, die niets hebben, hebben niets te verliezen. Als de rijke Joden, die de armen hadden verdrukt, tot vreemdelingen, ja tot gevangenen werden gemaakt in des vijands land, hadden de armen, die zij hadden veracht en verdrukt, vrijheid en vrede in hun eigen land, aldus heeft Gods voorzienigheid soms op treffende wijze hoogmoediger vernederd en nederiger bevoorrecht.
4. De koperen vaten en andere zaken, die tot de tempel behoorden, werden weggevoerd, de meeste gouden en zilveren vaten waren reeds vroeger weggevoerd, de twee vermaarde koperen pilaren, Jachin en Boaz, die sterkte en vastigheid betekenden van het huis Gods, werden in stukken gebroken, en het koper er van naar Babel gevoerd, vers 13.
Als de betekenis van de dingen verzondigd is, waartoe zouden dan de tekenen blijven? Achaz had heiligschennend de lijsten van de stellingen afgesneden, en de koperen zee op een stenen vloer gezet, Hoofdstuk 16:17, rechtvaardig worden dus de stellingen zelf en de koperen zee in des vijands hand overgeleverd.
Het is rechtvaardig in God om Zijn inzettingen weg te nemen van hen, die ze ontheiligen en misbruiken, ze verkorten of onderdrukken.
Sommige dingen van goud en zilver waren er nog, vers 15,, die nu weggevoerd werden, maar het meeste van deze buit bestond uit koper, zo groot een hoeveelheid, dat het gezegd wordt zonder gewicht te zijn vers 16.
De wegvoering van de vaten en gereedschappen waar men de dienst mee deed, vers 14, maakte een einde aan de dienst. Het was rechtvaardig in God om het voorrecht van Zijn aanbidding weg te nemen van hen, die haar zolang veronachtzaamd hebben en boven haar de voorkeur aan een valsen eredienst hebben gegeven, zij, die vele altaren wilden hebben, zullen er nu geen enkel hebben.
5. Verscheidenen van de aanzienlijken werden in koelen bloede omgebracht, Seraja, de hoofdpriester, die de vader was van Ezra, (zoals blijkt uit Ezra 7:de tweede priester, die als het nodig was, de dienst voor hem waarnam, en de drie dorpelbewaarders van de tempel, vers 18, de generaal van het leger, vijf raadsheren, (later werden er zeven aangesteld, Jeremia 52:25) de minister van oorlog of betaalmeester van het leger, en zestig land edellieden, die zich in de stad schuil hadden gehouden, deze allen, personen van enig aanzien zijnde, werden tot de koning van Babel gebracht, vers 19, 20, die gebood hen allen ter dood te brengen, vers 21, toen zij redelijkerwijs konden hopen dat de bitterheid des doods voorzeker geweken was.
In zijn toorn en wraakzucht beschouwde de koning van Babel deze als het werkzaamst in de tegenstand die hem geboden was, maar wij kunnen onderstellen dat de Goddelijke gerechtigheid op hen zag als de aanvoerders in de afgoderij en goddeloosheid, die door deze verwoestingen werden gestraft. Dit voltooide de ramp.
Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd, ongeveer acht honderd en zestig jaren nadat zij er door Jozua in het bezit van waren gesteld.
Nu werd de Schrift vervuld: "De Heere zal u, mitsgaders uw koning, die gij over u gesteld zult hebben doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt", Deuteronomium 28:36.
De zonde heeft hun vaderen veertig jaren buiten Kanaän gehouden, en nu verdreef zij hen er uit, de Heere is bekend door de oordelen, die Hij uitvoert, en handhaaft het woord dat Hij gesproken heeft Amos 3:2 :"Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik alle ongerechtigheden over ulieden bezoeken".