2 Koningen 16:17-20
1. Hier zien wij Achaz de tempel schenden, niet het gebouw, maar de meubelen ervan.
a. Hij sneed de lijsten af van de stellingen, waarop de wasvaten gesteld waren, 1 Koningen 7:28, 29, en nam het gegoten bassin van de runderen af, vers 17. De priesters gebruikten haar voor wassingen, hij scheen dus een bijzondere wrok tegen hen te hebben. Het is een van de grootste nadelen, die men aan de Godsdienst kan toebrengen, als men de reiniging belet van de priesters, dienstknechten van de Heere.
b. Hij nam het deksel van de sabbat weg, dat opgericht was, hetzij ter ere van de sabbat, of ten gerieve van de priesters, als zij op de sabbat in groter aantal dienst deden dan op andere dagen. Wat dit deksel ook geweest zij, met de wegneming er van scheen hij minachting voor de sabbat bedoeld te hebben, aldus de deur wijd open stellend voor alle goddeloosheid.
c. De ingang van de koning, die ten gerieve van de koninklijke familie naar het huis des Heeren voerde, (misschien wel de opgang, die Salomo gemaakt had en die door de koningin van Scheba zozeer werd bewonderd, 1 Koningen 10:5) keerde hij naar een andere zijde, om te tonen dat hij niet voornemens was het huis des Heeren ooit weer te bezoeken. Dit deed hij om de koning van Assyrië genoegen te doen, die hem misschien een tegenbezoek had gebracht en iets aan te merken had op die ingang, als een ongerief en een ontsiering van zijn paleis. Als zij. die een betere toegang hebben tot het huis des Heeren, die, om hun naburen te believen, naar een andere zijde keren, dan gaan zij bergafwaarts naar hun verderf.
2. Achaz verliet het leven in het midden van zijn dagen, toen hij zes en dertig jaar oud was, vers 19, en liet zijn koninkrijk nu aan een beter man, Hizkia, zijn zoon, vers 20, die een even groot vriend van de tempel bleek te zijn, als zijn vader er een vijand van was. Misschien heeft hij die eigen zoon door het vuur doen gaan en hem daardoor aan Moloch gewijd maar God heeft door Zijn genade hem als een brandhout uit het vuur gerukt.