2 Koningen 23:4-24
Wij hebben hier een bericht van een reformatie, zoals wij totnutoe in de gehele geschiedenis van de koningen van Juda er geen aangetroffen hebben, zo'n volkomen uitzuivering van al de verfoeiselen, en zulk een grondslag gelegd van een heerlijk goed werk, en hier moet ik mij verbazen over twee dingen:
1. Dat zoveel slechte dingen ingeslopen zijn en zolang in stand zijn gebleven.
2. Dat niettegenstaande de wegneming van die slechte dingen en het hoopvol vooruitzicht dat hier gegeven is op een gelukkige vestiging Jeruzalem toch binnen weinige jaren volkomen verwoest werd, en zelfs dit de stad niet heeft kunnen redden, want het gros des volks haatte de reformatie en wilde zich niet bekeren. "Tevergeefs heeft de smelter zo vlijtig gesmolten en daarom zal men hen een verworpen zilver noemen," Jeremia 29:30.
Laat ons hier letten:
I. Op de overvloed van goddeloosheid, die er was in Juda en Jeruzalem, men zou het niet mogelijk geacht hebben dat in Juda, waar God bekend was, in Israël, waar Zijn naam groot was, in Salem, in Zion, waar Zijn woning was, zulke verfoeiselen gevonden waren, als waarvan wij hier het bericht hebben. Josia had nu achttien jaren geregeerd, en had zelf het volk een goed voorbeeld gegeven, de Godsdienst in stand gehouden in overeenstemming met de wet, en toch was, toen hij een onderzoek instelde naar de afgoderij, de diepte en de omvang van mesthoop, die hij weg te voeren had, schier ongelooflijk.
1. Zelfs in het huis des Heeren, de heilige tempel, die Salomo had gebouwd en gewijd voor de eer en de aanbidding van de God Israëls, werden vaten gevonden, allerlei gereedschap voor de aanbidding van Baäl en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels, vers 4
Hoewel Josia de aanbidding van afgoden verboden had, werden de middelen voor die aanbidding zorgvuldig bewaard, zelfs in de tempel, om weer gebruikt te worden als het tegenwoordige verbod opgeheven zou zijn, ja zelfs stond het beeld van het bos in de tempel, vers 6. Sommigen houden het voor het beeld van Venus, dezelfde als Astaroth.
2. Juist aan de ingang van het huis des Heeren was een paardestal, die daar gehouden werd-zou men het geloven? -voor godsdienstige doeleinden, het waren heilige paarden die voor de zon gesteld waren, vers 11, alsof zij die nodig had, die vrolijk is "als een held om het pad te lopen", Psalm 19:6 , of liever, zij wilden er zich de snelheid van haar bewegingen mee voorstellen, die zij groot bewonderden, aldus door hun godsdienst de dichterlijke fabel bevestigende van de zonnewagen. Een weinig filosofie, zonder enigerlei theologie, zou hun de dwaasheid daarvan hebben kunnen aantonen, en er hen beschaamd over kunnen maken. Sommigen zeggen dat die paarden in staatsie uitgeleid werden om de opgaande zon tegemoet te gaan: anderen, dat de aanbidders van de zon er op uitreden om de opgaande zon te gaan aanbidden, het schijnt, dat zij de wagen van de zon trokken, die het volk aanbad. Het is vreemd dat mensen, die het geschreven woord van God bezaten, zo verijdeld zijn geworden in hun overleggingen! 3. Dicht bij het huis des Heeren waren huizen van de schandjongens, waarin zij zich aan allerlei ongebondenheid overgaven, zelfs aan de zonden, die tegennatuurlijk zijn, en dat alles geschiedde onder schijn van godsdienst, ter ere van hun onreine godheden, lichamelijke en geestelijke hoererij gingen samen, en de oneerlijke bewegingen waaraan zij zich hadden overgegeven waren de straf voor hun ijdele overleggingen, zij, die God onteerden, werden rechtvaardiglijk overgelaten om aldus zichzelf te onteren Romeinen 1:24 en verv. Daar waren vrouwen die huisjes weefden voor het beeld van het bos, vers 7, tenten voor het beeld van Venus, waar de aanbidders zich aan allerlei ongebondenheid en wellust overgaven, en dat nog wel in het huls des Heeren.
Diegenen hebben kwaad gedaan die het huis onzes Vaders tot een huis van koophandel hebben gemaakt, die het tot een moordenaarskuil hebben gemaakt, deden erger, maar het ergste van allen deden zij, die het "Horrendum dictu!" (Afschuwelijk om het mee te delen!) tot een bordeel hebben gemaakt, in onbeschaamde trotsering van de heiligheid van God en van Zijn tempel, wel mag de apostel dat "gruwelijke afgoderijen" noemen.
4. Er werden vele afgodische altaren gevonden, vers 12, sommigen in het paleis, op het dak van de opperzaal van Achaz. De daken van hun huizen waren plat, en zo maakten zij die tot hun hoogten, en stelden er altaren op, Jeremia 19:13, Zefanja 1:5, huisaltaren.
De koningen van Juda deden dit, en hoewel Josia er noodt gebruik van heeft gemaakt, zijn zij er tot aan die tijd toch gebleven. Manasse had in het huis des Heeren altaren gebouwd voor zijn afgoden, na zijn bekering heeft hij ze weggenomen en buiten de stad geworpen, 2 Kronieken 33:15, maar ze niet vernield.
Zijn zoon Amon schijnt ze weer in de voorhoven van de tempel gehecht te hebben, daar heeft Josia ze gevonden, en ze vandaar verbrijzeld, vers 12.
5. Er was ook Thofeth in het dal van Hinnom zeer dicht bij Jeruzalem, waar het beeld van Molech stond, de god van onnatuurlijke wreedheid zoals anderen van onnatuurlijke onreinheid waren, waarvan sommigen hun kinderen offerden, die verbrandende in het vuur, terwijl anderen hen aan hem wijdden door hen door het vuur te doen gaan, vers 10, "afmattende voor niets" Habakuk 2:13.
Men onderstelt dat dit Thofeth genoemd werd, van "thof", (een trommel), omdat zij onder het verbranden van de kinderen op trommels sloegen, opdat de kreten van de kinderen niet gehoord zouden worden.
6. Er waren hoogten vooraan Jeruzalem, die Salomo gebouwd had, vers 13. Wij kunnen veronderstellen dat de altaren en beelden van deze hoogten door sommigen van de vorige Godvruchtige koningen weggenomen waren, of misschien heeft Salomo zelf ze na zijn bekering weggenomen, maar de gebouwen, of sommige delen er van, zijn staan gebleven, evenals andere hoogten, tot aan Josia's tijd.
Zij, die verdorvenheden invoeren in de Godsdienst, weten niet hoever zij kunnen reiken, noch hoe lang zij in stand zullen blijven, oudheid is geen stellig bewijs van waarheid. Er waren ook hoogten in geheel het rijk, van Gibea aan tot Berseba toe, vers 8, en hoogten van de poorten aan de deur van de poort van de overste van de stad. Op deze hoogten-denkt bisschop Patrick-offerden zij reukwerk ter ere van de beschermgoden, aan wie de afgodische koningen de bescherming hunner stad hadden opgedragen, en waarschijnlijk had de overste of gouverneur van de stad een afzonderlijk altaar voor zijn "penates" of huisgoden.
7. Er waren afgodische priesters, die aan al deze afgodsaltaren dienst deden, vers 5, "chemarim", (zwarte mannen), of die zwart droegen. Zie Zefanja 1:4. Zij, die offerden aan Osiris of de Tammuz beweenden, Ezechiël 8:14, of die de helse goden aanbaden, droegen zwarte klederen als rouwbedrijvenden. Deze afgodische priesters hadden de koningen van Juda gesteld opdat men roken zou op de hoogten, dat is: er reukwerk zou offeren, het schijnen priesters uit het huis van Aaron geweest te zijn, die aldus hun waardigheid ontheiligden, en er waren ook anderen, die in het geheel geen recht hadden op het priesterschap, die reukwerk brandden voor Baäl.
8. Er waren waarzeggers en duivelskunstenaars, vers 24. Als zij de duivel aanbaden als hun god, dan is het niet te verwonderen dat zij hem raadpleegden als hun orakel.
II. Hoe volkomen heeft de Godvruchtige Josia al deze overblijfsen van de afgoderij vernietigd! Zo groot is zijn ijver voor de Heere van de heirscharen en zijn heilige verontwaardiging tegen alles wat Hem mishaagt, dat niets voor hem bestaan zal.
De wet gebood dat alle overblijfselen van de afgoderij van de Kanaänieten vernietigd moesten worden, Deuteronomium 7:5, en nog veel meer moesten dus de overblijfselen van de afgoderij van de Israëlieten vernietigd worden, in wie het nog zoveel meer goddeloos, onheilig en trouweloos was.
1. Hij gebiedt aan Hilkia en de andere priesters om de tempel te zuiveren. Dat behoorde tot hun werk vers 4. Weg met al de vaten die voor Baai gemaakt waren. Nooit moeten zij tot de dienst van God worden gebruikt, neen, ook niet bewaard worden tot gewoon gebruik, zij moeten allen verbrand worden, en de as er van naar Bethel worden gebracht.
Die plaats is de algemene bron geweest van de afgoderij, want daar was een van de kalveren opgericht, en daar zij naast Juda lag, was vandaar de besmetting in dat koninkrijk gekomen, en daarom maakt hij haar nu tot de mesthoop van de afgoderij, waarheen hij het vuil en afschrapsel van alles heenbrengt, opdat zij, die er zo op verzot waren, zo mogelijk een afkeer er van zouden krijgen.
2. De afgodische priesters werden allen afgezet, diegenen van hen, die niet van het huis van Aaron waren, en aan Baäl hadden geofferd of aan andere goden, liet hij volgens de wet ter dood brengen, vers 20.
Hij slachtte hen op hun eigen altaren, de meest welbehaaglijke offerande, die er ooit op geofferd was, een offer aan de gerechtigheid van God.
Hun, die nakomelingen waren van Aaron en toch reukwerk geofferd hadden op de hoogten, verbood hij om ooit tot het altaar des Heeren te naderen, zij hadden die eer verbeurd, vers 9.
Hij bracht hen uit de steden van Juda, vers 8, opdat zij geen kwaad zouden doen in het land door in het geheim de afgodische gebruiken in stand te houden, maar hij vergunde hun van het ongezuurde brood te eten (het brood van de spijsoffers) Leviticus 2:4, 5 , in het midden hunner broederen, bij wie zij moesten wonen opdat zij, onder hun toezicht zijnde, weerhouden zouden worden van kwaad doen en onderwezen zouden worden om goed te doen.
Dat brood, dat ongezuurde brood (zwaar en onsmakelijk als het was) was meer dan zij verdienden, en kon dienen om hen in het leven te behouden, maar of hun veroorloofd werd van al de offeranden te eten, zoals aan priesters, die een gebrek hadden, vergund was, Leviticus 21:22, wat in het algemeen de spijs huns Gods genoemd wordt, kan met recht betwijfeld worden.
3. Al de beelden werden in stukken gebroken en verbrand, het beeld van het bos, de een of andere godin, werd tot stof vergruisd en het stof daarvan op de graven van de kinderen des volks geworpen, op de algemene begraafplaats van de stad. Volgens de wet werd iemand door de aanraking van een graf ceremoniëel onrein, zodat hij door het daar te werpen het ten uiterste onrein verklaarde, en niemand het kon aanraken zonder er onrein door te worden. "Hij wierp het in de graven" zegt de Chaldeer, te kennen gevende, dat hij alle afgoderij buiten zijn gezicht begraven wilde hebben, als iets dat walging en afkeer opwekt, en vergeten moest worden, zoals doden vergeten worden.
Hij vervulde de plaats van de bossen met mensenbeenderen, gelijk hij de as van de beelden naar de graven bracht, om haar te vermengen met de beenderen van de doden, zo voerde hij de beenderen van de doden naar de plaats waar de beelden geweest waren opdat naar beide zijden voor de afgoderij walging en afkeer verwekt zou worden, en het volk weggehouden zou worden zowel van het stof van de beelden als van de overblijfselen van de plaatsen waar zij aangebeden werden, dode mensen en dode goden waren tamelijk gelijk aan elkaar en geschikt om samen te gaan.
4. Al de slechte huizen werden vernield, die broeinesten van de goddeloosheid, die afgodendienaars herbergden, de huizen van de schandjongens, vers 7, weg er mee! weg er mee! maak ze met de grond gelijk! Evenzo werden de hoogten afgebroken en met de grond gelijk gemaakt, vers 8, zelfs die, welke aan de gouverneur van de stad behoorde, want niemands aanzien of macht moet hem beschermen in afgoderij en onheiligheid. Laat de oversten in de eerste plaats verplicht worden zich te verbeteren, dan zal het volk er te eerder door geïnfluenceerd worden. Hij verontreinigde de hoogten, vers 8, en wederom in vers 13. Hij deed alles wat hij kon om ze verfoeilijk te maken, zodat het volk er geen behagen meer in had, zoals Jehu deed, toen hij van het huis van Baäl heimelijke gemakken maakte, 2 Koningen 10:27.
Thofeth, dat in tegenstelling met andere plaatsen van afgoderij in een dal was, terwijl de anderen op heuvelen of hoogten waren, werd evenzo verontreinigd vers 40, het werd tot een begraafplaats van de stad gemaakt. Hierover hebben wij geheel een leerrede in Jeremia 19:1-15 en verv. waarin gezegd wordt: Zij zullen in Thofeth begraven worden, en de hele stad wordt gedreigd Thofeth gelijk gemaakt te zullen worden.
5. De paarden, die aan de zon gegeven waren, werden weggenomen en tot gewoon gebruik aangewend, en aldus verlost van de ijdelheid, waaraan zij onderworpen waren, en de wagenen van de zon (hoe jammer, dat deze paarden en wagenen gehouden werden als de wagenen Israëls en hun ruiteren!) verbrandde hij met vuur, en indien de zon een vlam is, dan geleken zij nooit zo op haar als toen zij tot vurige wagenen werden gemaakt. 6. De waarzeggers en de duivelskunstenaars werden weggedaan, vers 24.. Waarschijnlijk werden diegenen van hen, die van toverij overtuigd werden, ter dood gebracht, en aldus anderen van die duivelse praktijken teruggehouden.
In dit alles heeft hij in oprechtheid acht geslagen op de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat nu onlangs gevonden was, vers 24. dit stelde hij zich ten richtsnoer, daarop hield hij in geheel zijn reformatie het oog gevestigd.
III. Hoe zijn ijver zich uitstrekte over al de steden Israëls, die binnen zijn bereik waren. De tien stammen waren gevankelijk weggevoerd, de Assyrische kolonies hebben het land niet geheel bevolkt, zodat vele steden zich waarschijnlijk onder de bescherming van de koning van Juda hebben gesteld, 2 Kronieken 30:6. Dezen bezoekt hij hier om zijn reformatie door te voeren. Zover onze invloed reikt, moeten onze pogingen gaan om goed te doen en de goddeloosheid van de goddelozen te doen eindigen.
1. Hij verontreinigde en verbrak Jerobeams altaar te Bethel met de hoogte en het bos, die er bij behoorden, vers 15, 16. Het gouden kalf scheen weg te zijn, -uw kalf, 0 Samaria! heeft u verstoten, -maar het altaar was er nog, en zij, die aan hun oude afgoderij verkleefd waren, maakten er nog gebruik van. Dit werd,
a. Verontreinigd, vers 16. In zijn vrome ijver doorzocht Josia de oude zetels van de afgoderij, en zag de graven op de berg, waarin waarschijnlijk de afgodische priesters begraven lagen, niet ver van het altaar, aan hetwelk zij dienst gedaan hadden, en waarop zij zó verzot waren, dat zij verlangden dat hun gebeente in zijn nabijheid zou rusten. Deze opende hij, nam er de beenderen uit, en verbrandde die op het altaar, om te tonen dat hij dit met die priesters zelf zou gedaan hebben, indien zij nog leefden, zoals hij dan ook deed met hen, die hij nog in leven vond, vers 20 , aldus ontwijdde en verontreinigde hij het altaar en maakte het verfoeilijk.
Tegen afgodendienaars wordt de bedreiging gericht, dat "hun beenderen uitgespreid zullen worden voor de zon," Jeremia 8, 1, 2 , wat daar bedreigd en hier ten uitvoer werf gelegd (aanduidende dat hun ongerechtigheid op hun beenderen is, Ezechiël 32:27), is een aanduiding van een straf na de dood, weggelegd voor hen, die in deze of een andere zonde onboetvaardig leven en sterven.
Het verbranden van de beenderen zou-indien dit alles ware-een kleine zaak zijn, maar als het wijst op de pijniging van de ziel in een heftiger vlam, Lukas 16:24, dan is het zeer schrikkelijk. Zoals dit Josia's daad was, schijnt zij het gevolg te zijn van een plotseling opgekomen besluit.
Hij zou het niet gedaan hebben, indien hij zich toen juist niet had omgekeerd en de "raven bespeurd had, en toch was het meer dan drie honderd en vijftig jaren tevoren voorzegd, toen dit altaar het eerst door Jerobeam gebouwd was, 1 Koningen 13:2.
God heeft altijd voorzien, en soms voorzegd, als iets dat gewis geschieden zal, hetgeen ons toch geheel en al toevallig schijnt des konings hart is in de hand des Heeren koning Josia's hart was dit, en Hij heeft het, (eer hij het wist, Hooglied 6:1 geneigd om dit te doen. Geen woord van God zal ter aarde vallen. b. Het altaar werd afgebroken, hij brak het af met alles wat er toe behoorde, vers 15, verbrandde wat brandbaar was en, daar een afgod niets ter wereld is, ging hij zover met de vernietiging er van als hij kon, want hij vergruisde het tot stof, en maakte het als stof in de wind.
2. Hij vernietigde al de huizen van de hoogten, al die synagogen van Satan, die in de steden van Samaria waren, vers 19. Dezen hadden de koningen van Israël gebouwd, en God verwekte deze koning van Juda om ze neer te werpen tot eer van het aloude huis van David van hetwelk de tien stammen waren afgevallen. De priesters heeft hij met recht op hun eigen altaren geofferd, vers 20.
3. Zorgvuldig liet hij het graf ongeschonden van de man Gods, die uit Juda kwam om dit te voorzeggen, het was die Godvruchtige profeet, die deze dingen tegen het altaar van Bethel heeft uitgeroepen, maar toch zelf door een leeuw gedood werd omdat hij ongehoorzaam was aan het woord des Heeren. Om echter te tonen dat Gods misnoegen tegen hem niet verder ging, maar daar eindigde, heeft God het zo beschikt dat, toen alle graven er om heen geschonden werden, het zijne veilig was, vers 17, 18, en niemand heeft zijn beenderen weggenomen, hij is ingegaan in de vrede, en daarom zal hij rusten op zijn slaapstede, Jesaja 57:2.
De oude, liegende profeet, die begeerd had zo dicht mogelijk bij hem begraven te worden, schijnt goed geweten te hebben wat hij deed, want ook zijn stof, vermengd zijnde met dat van de goede profeet, werd om zijnentwille bewaard. Zie Numeri 23:10.
Eindelijk. Er wordt ons hier meegedeeld welk een plechtig pascha Josia en zijn volk na al deze gebeurtenissen gehouden hebben. Toen zij de oude zuurdesem uit het land hadden uitgezuiverd, hebben zij zich tot het houden van het feest begeven. Toen Jehu de eredienst van Baäl had teniet gedaan, heeft hij toch geen acht gegeven om in de geboden en inzettingen des Heeren te wandelen, maar Josia dacht dat wij leren moeten goed te doen, en niet slechts moeten laten wat kwaad is, en dat het middel om alle verfoeilijke gewoonten buiten te houden, is alle verordineerde inzettingen in stand te houden, zie Leviticus 18:30, en daarom gebood hij al het volk om het pascha te houden, dat niet slechts een gedachtenis was aan hun bevrijding uit Egypte, maar ook een teken van hun toewijding aan Hem, die hen uitgevoerd had, en van hun gemeenschap met Hem.
Dit vond hij geschreven in het wetboek, dat hier het boek des verbonds wordt genoemd, want hoewel het Goddelijk gezag met ons kan handelen in de weg van volstrekt gebod, Gods genade buigt zich neer tot verbondshandelingen, en daarom nam hij het waar. Wij hebben niet zo'n uitvoerig bericht van het houden van dit pascha als van dat, hetwelk in Hizkia's tijd gehouden werd, 2 Kronieken 30, maar in het algemeen wordt gezegd dat, gelijk dit pascha er geen onder de vorige regeringen gehouden was van de dagen van de richteren af, vers 22, wat als in het voorbijgaan aanduidt dat hoewel het bericht, dat het Boek van de Richteren ons geeft omtrent de toestand van Israël onder hun regering zeer treurig is, er toch ook toen gouden dagen waren.
Dit pascha schijnt buitengewoon te zijn ten opzichte van het aantal en de Godsvrucht van hen, die er aan deelnamen, van hun slachtoffers en spijsoffers, en hun nauwkeurig waarnemen van de wetten van het feest, en het was niet, zoals bij Hizkia's pascha, dat velen er deel aan namen, die zich niet gereinigd hadden naar de reinigheid des heiligdoms en het aan de Levieten werd toegestaan om het werk van de priesters te doen. Wij hebben reden te geloven dat gedurende al de jaren, die Josia nog geregeerd heeft, de Godsdienst heeft gebloeid, en dat de feesten des Heeren zorgvuldig werden waargenomen, maar bij dit pascha heeft de voldoening, die zij smaakten in de vernieuwing des verbonds, de reformatie, die er het gevolg van was, en de herleving van een inzetting, waarvan zij de Goddelijke oorsprong in het wetboek hadden gevonden, en die gedurende langen tijd of geheel veronachtzaamd of slechts achteloos gehouden was, hen in een vervoering van heilige vreugde gebracht. En het heeft Gode behaagd hun ijver voor de vernietiging van de afgoderij te belonen met buitengewone tekenen van Zijn tegenwoordigheid en gunst, en dit alles werkte er toe mede, om het tot een zeer bijzonder pascha te maken.