2 Koningen 1:9-18
I. Hier zien wij hoe de koning een bevel uitvaardigt om Elia gevangen te nemen. Indien de god van Ekron hem gezegd had dat hij ging sterven, hij zou het waarschijnlijk rustig en kalm opgenomen hebben, maar nu een profeet des Heeren het hem zegt, hem daarbij bestraffende voor zijn zonde, en hem herinnert aan de God van Israël, kan hij het niet dragen. Zover is het van hem, om een goed gebruik te maken van de waarschuwing, die hem gegeven is, dat hij verwoed is op de profeet, noch zijn ziekte noch de gedachte aan de dood maakte een goede indruk op hem, boezemde hem enige vrees van God in, geen uitwendige verschrikkingen kunnen geruste zondaars doen ontwaken of hen verzachten, zij zullen hen veeleer verbitteren en vertoornen. Hield de koning Elia voor een profeet, een waar profeet? Hoe durfde hij hem dan vervolgen? Hield hij hem voor een gewoon persoon? Waartoe was het de nodig zo'n krijgsmacht te zenden om hem gevangen te nemen? Zo moest ook een bende krijgsknechten onze Heere Jezus gevangen nemen.
II. De hoofdman, die met zijn vijftig krijgsknechten gezonden was, vond Elia op de top van een berg, (sommigen denken op de Karmel), en gebood hem in naam van koning zich over te geven, vers 9. Elia heeft zich nu zo weinig verborgen, gelijk hij vroeger gedaan had, in de schuilhoeken van een spelonk, dat hij zich stoutmoedig vertoont op de top van een berg, de ervaring van Gods bescherming maakt hem stoutmoediger. De overste noemt hem een man Gods, niet omdat hij geloofde dat hij dit was, of omdat hij hem als zodanig eerde, maar omdat hij gewoonlijk aldus genoemd werd. Indien hij hem werkelijk als zodanig had beschouwd hij zou niet gepoogd hebben hem tot zijn gevangene te maken, en indien hij gedacht had dat hem het woord Gods was toevertrouwd, hij zou het niet gepoogd hebben, om hem met het woord eens konings te gebieden.
III. Elia roept vuur van de hemel om deze trotse, vermetele zondaar te verteren, niet om zich te beveiligen, dat zou hij wel op een andere wijze gekund hebben, noch om zich te wreken, want het was niet zijn eigen zaak, waarin hij optrad, maar om zijn zending te bewijzen, en om de toorn Gods te openbaren van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen. Deze hoofdman had hem in minachting een man Gods genoemd. "Indien ik dit dan ben," zegt Elia, "dan zal het u duur te staan komen, dat gij er mee spot." Hij verhief zich op zijn opdracht (De koning zegt: kom af), maar Elia zal hem doen weten dat de God Israëls meerder is dan de koning Israëls, en groter macht heeft om aan Zijn bevelen kracht bij te zetten. Het was nog niet lang geleden, dat Elia vuur van de hemel heeft doen komen om het offer te verteren, 1 Koningen 18:38, ten teken van Gods aanneming van dat offer als een verzoening voor de zonde van het volk, daar zij er echter geen acht op hebben geslagen valt nu het vuur van de hemel, niet op het offer, maar op de zondaren zelf. vers 10. Zie hier:
1. Welk een invloed de profeten hadden in de hemel, wat de Geest Gods in hen eiste, de kracht Gods bewerkstelligde. Elia sprak slechts, en het was geschied. Hij, die tevoren water van de hemel heeft doen komen, laat er nu vuur van neerdalen. O hoe groot is de kracht van het gebed! "Aangaande het werk Mijner handen, geeft Mij bevel." Jesaja 45:11.
2. Welk een belangstelling de hemel had in de profeten! God was altijd bereid hun zaak voor te staan, en het kwaad, de beledigingen, die hun waren aangedaan, te wreken, nog zullen om hunnentwil koningen bestraft worden, en hun worden gelast Zijn profeten geen kwaad te doen. Een Elia is meer voor God dan tien duizend hoofdmannen met hun vijftigen. Elia heeft dit ongetwijfeld door Goddelijke ingeving gedaan, en toch wilde onze Heiland Zijn discipelen niet toestaan, om dit als een precedent te stellen, Lukas 9:54. Zij waren toen niet ver van de plaats, waar Elia deze daad van de gerechtigheid aan de God tergende Israëlieten gedaan had, en wilden evenzo vuur van de hemel op deze Christus beledigende Samaritanen doen neerkomen. "Neen", zegt Christus, "volstrekt niet, "gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt,"" dat is:
a. "Gij bedenkt niet van hoedanigen geest gij, als discipelen, geroepen zijt te wezen en hoe verschillend van die van de Oud-Testamentische bedeling, het was wel in overeenstemming met die bedeling van de verschrikking en van de letter, dat Elia om vuur riep, maar de bedeling des Geestes en van de genade staat dit volstrekt niet toe."
b. "Gij weet niet van welke geest gij bij deze gelegenheid gedreven zijt, hoe verschillend van die, door welke Elia heeft gehandeld, hij deed het in heilige ijver, gij in drift en hartstocht, hem ging Gods eer ter harte, gij denkt slechts aan uw eer, uw reputatie. God oordeelt over der mensen handelingen naar de beginselen, waaruit zij voortkomen, en Hij oordeelt naar waarheid.
IV. Dit wordt voor de tweede maal herhaald. Zou men het geloven?
1. Ahazia zendt voor de tweede maal om Elia gevangen te nemen, vers 11, alsof hij besloten was om zich door de Almacht zelf niet te laten teleurstellen. Stijfkoppige zondaren moeten ten laatste overtuigd en overwonnen worden door het vuur van de hel, want door het vuur van de hemel schijnt het niet te kunnen geschieden.
2. Een andere hoofdman is gereed met zijn vijftigen, die in zijn blinde woede tegen de profeet en zijn blinde gehoorzaamheid aan de koning, de dienst op zich durft nemen, die zo noodlottig is geweest voor hen, die hem het laatst ondernomen hebben. Deze is even onbeschaamd en gebiedend als de vorige, en is nog meer in haast. Het is niet slechts: "Kom kalm af en stribbel niet tegen", maar zonder enige aandacht te schenken aan wat geschied was, roept hij: "Kom haastelijk af, en talm niet, de zaak van de koning vereist spoed, kom af, of ik zal u naar beneden halen."
3. Elia geeft niet toe, maar roept nogmaals om een bliksemschicht, die deze hoofdman en zijn vijftig terstond dood ter aarde werpt. Zij, die als anderen willen zondigen, moeten verwachten dat zij evenzo zullen lijden. God is onkreukbaar rechtvaardig.
V. De derde hoofdman verootmoedigt zich, en werpt zich op de genade van God en van Elia. Het blijkt niet dat Ahazia hem dit bevolen heeft, dat weerstrevende hart is nog altijd even hard, zo weinig bekommert hij zich om de verschrikkingen des Heeren, zo weinig is hij getroffen door de openbaringen van Zijn toorn, en daarbij zo verkwistend met het leven van zijn onderdanen, dat hij een derde hoofdman met dezelfde boze boodschap tot Elia zond, maar hij liet zich waarschuwen door het lot, dat zijn voorgangers getroffen heeft, die daar misschien dood voor hem lagen, en, in plaats van de profeet op te roepen om naar beneden te komen viel hij op de knieën voor hem, en bad hem om zijn leven, en het leven van zijn krijgsknechten erkennende kwaad te verdienen, erkennende de macht van de profeet, vers 13, 14. Laat mijn ziel, dat is: mijn leven, dierbaar zijn in uw ogen. Er is niets te winnen door tegen God te strijden. Als wij bij Hem willen overmogen, dan moet het door smeking zijn, als wij niet voor God willen vallen, dan moeten wij ons voor Hem buigen, en diegenen zijn wijs voor zichzelf, die uit de noodlottige gevolgen, welke anderen door hun hardnekkigheid over zich gebracht hebben, leren zich te onderwerpen.
Vl. Elia doet meer dan het verzoek van de derde hoofdman toestaan. God is niet meer streng jegens hen, die in hun rebellie tegen Hem volharden, dan Hij genade betoont aan hen, die zich bekeren en zich aan Hem onderwerpen. Nooit heeft iemand zich tevergeefs op Gods barmhartigheid geworpen. Deze hoofdman ziet niet slechts zijn leven gespaard, maar het wordt hem vergund zijn doel te bereiken. Elia, bevel daartoe van de engel gekregen hebbende, ging met hem af tot de koning, vers 15. Aldus toont hij, dat hij tevoren geweigerd heeft niet omdat hij de koning of het hof vreesde maar omdat hij niet gebiedend opgeroepen wilde zijn, hetgeen de eer van zijn Meester zou verkleinen, hij maakte zijn bediening heerlijk. Hij komt onbeschroomd tot de koning, en zegt hem in aangezicht (hij kan dit opnemen zoals hij wil) wat hij hem tevoren heeft doen weten door zijn boden, vers 16, namelijk dat hij gewis weldra zal sterven. Hij verzacht het vonnis niet, noch uit vrees voor het misnoegen van de koning, noch uit medelijden met zijn rampzalige toestand. De God Israëls heeft hem veroordeeld, laat hem nu zien of de god van Ekron hem kan verlossen. Zo verbaasd en ontzet is Ahazia door deze boodschap, nu zij uit de mond van de profeet zelf tot hem komt, dat noch hij noch iemand van de hen omringenden hem enigerlei geweld poogt te doen, ja zij durven hem niet eens beledigen. Ongedeerd komt hij uit die leeuwekuil tevoorschijn. Wie kan hen deren die door God beschut worden?
Eindelijk. Binnen weinige dagen wordt de voorzegging vervuld. Ahazia stierf, vers 17, en kinderloos stervende, liet hij zijn koninkrijk na aan zijn broeder Joram. Zijn vader heeft twee en twintig jaren goddeloos geregeerd, hij nog geen twee. Soms zullen de goddelozen leven en oud worden, ja geweldig worden in vermogen, maar zij, die zich daarom vleien met voorspoed in goddeloosheid zullen wellicht bedrogen uitkomen, want (zoals bisschop Hall hier opmerkt) "sommige zondaars leven lang om hun oordeel te verzwaren, anderen sterven spoedig om het te verhaasten," maar het is zeker, dat het kwaad de zondaars vervolgt, en vroeg of laat zal het hen achterhalen, ook is er niets, dat de maat spoediger vol zal doen worden, dan die samengestelde ongerechtigheid van Ahazia-des duivels orakelen te eren en Gods orakelen te haten.