2 Kronieken 32:1-8
I. Hier is de geduchte aanslag van Sanherib tegen Hizkia's rijk, en de krachtige aanval, die hij er op deed. Deze Sanherib was nu, gelijk Nebukadnezar later, de schrik en gesel en grote verdrukker van dat deel van de wereld, die ernaar streefde om een onbegrensde monarchie voor zich op te richten op de puinhopen van de rijken van al zijn naburen. Zijn voorganger, Salmaneser, had zich onlangs meester gemaakt van het rijk van Israël en de tien stammen gevankelijk weggevoerd, en Sanherib dacht op gelijke wijze Juda te veroveren.
Hoogmoed en eerzucht brengen de mensen er toe om naar een algemene heerschappij te streven, en het is opmerkelijk dat juist in die tijd Rome gebouwd werd door Romulus, een stad. die later er toe gekomen is om, meer dan iedere andere ooit gedaan heeft te heersen over de koningen van de aarde. Sanherib heeft terstond na de reformatie van Juda en de herstelling van de Godsdienst een inval gedaan in hun land, na deze geschiedenissen kwam Sanherib en toog in Juda, vers 1.
1. Gods voorzienigheid heeft het zo geschikt dat hij hun deze stoornis niet gaf voor de reformatie volbracht en bevestigd was, daar zij stilstand daarin had kunnen brengen.
2. Misschien was het Sanheribs bedoeling Hizkia te bestraffen voor zijn vernietigen van de afgoderij, waaraan hij zelf geheel overgegeven was. Voor hem was hetgeen Hizkia gedaan had heiligschennis, waarmee hij zich buiten de Goddelijke bescherming had gesteld zodat hij een gemakkelijke prooi voor hem kon worden.
3. God beschikte het in die tijd, teneinde de gelegenheid te hebben om zich sterk te betonen ten behoeve van dit tot Hem wedergekeerde volk. Hij bracht deze benauwdheid over hen, opdat Hij de eer zou hebben en op hen de eer zou leggen van hun verlossing.
Na deze geschiedenissen en derzelver bevestiging zou men verwachten van niets anders te horen dan van volkomen vrede, en dat niemand een volk zou durven beledigen of aanranden, dat aldus geschikt gemaakt was voor Gods gunst, en toch is het volgende bericht dat wij horen, dat een dreigend, verwoestend leger in het land is gevallen en gereed staat alles te verderven en te vernielen. Wij kunnen op de weg van onze plicht zijn, en toch in benauwdheid en gevaar komen, God beschikt dit ter beproeving van ons vertrouwen op Hem en ter beloning van Zijn zorg over ons. De geringe tegenstand, die Sanherib ontmoette toen hij in Juda viel, deed hem geloven dat nu alles al het zijne was. Hij dacht de vaste steden tot zich af te scheuren, vers 1, en zijn aangezicht was om tegen Jeruzalem te strijden, vers 2. Zie 2 Koningen 18:7 , 13.
II. Hizkia's verstandige toebereidselen tegen de storm, die hem bedreigde. Hij hield raad met zijn vorsten wat te doen, welk maatregelen hij moest nemen. Met hun raad voorzag hij er in.
1. Dat het land hem een koude ontvangst zou bereiden, want hij droeg zorg dat hij er geen water in zou vinden, (en dan moet het leger van Assyrië omkomen van dorst), of tenminste dat er schaarste van water zou zijn, waardoor het leger verzwakt en ongeschikt zou worden voor de dienst.
Alle handen werden terstond aan het werk gezet, om de fonteinen te stoppen, mitsgaders de beek, die door het midden des lands heenvloeide, deze (waarschijnlijk) door buizen onder de grond naar de stad heenleidende. Dergelijke maatregelen worden ook heden aangewend om de fourage voor een vijandelijk leger, dat een land binnenvalt, te verwoesten.
2. Dat de stad hem een warm onthaal zou geven, te die einde herstelde hij de muur, versterkte hij de torens, maakte hij schichten en schilden in menigte, en stelde hij krijgsoversten over het volk, vers 6.
Zij, die op God vertrouwen voor hun veiligheid, moeten toch de geschikte middelen voor hun veiligheid gebruiken, want anders verzoeken zij Hem, maar vertrouwen niet op Hem. God zal voorzien, maar wij moeten het ook.
III. Hoe hij zijn volk aanmoedigde om in deze benauwdheid op God te vertrouwen. Hij liet hen bij elkaar komen in een brede, open straat, en sprak naar hun hart, vers 6.
Hij zelf was kloek van hart, en was overtuigd dat alles goed zou eindigen. Hij was niet zoals zijn vader, die veel schuld voor God had om hem te verschrikken, en geen geloof om hem aan te moedigen, zodat in een tijd van openbaar gevaar zijn hart zich bewoog gelijk de bomen des wouds bewogen worden van de wind, en dan was het niet te verwonderen, dat ook "het hart zijns volks aldus bewogen werd". Jesaja 7:2.
Met hetgeen hij zei bracht hij leven in zijn volk, inzonderheid in zijn krijgsoversten, hij sprak tot hun hart, zoals het woord eigenlijk is.
1. Hij poogt hun vrees tenonder te houden. "Zijt sterk en hebt een goeden moed, denkt er niet aan om de stad over te geven of om te capituleren, maar besluit om tot de laatsten man stand te houden, denkt niet de stad te verliezen, of in des vijands handen te vallen er is geen gevaar.
Laat de krijgslieden kloek en dapper zijn, standhouden en manmoedig strijden, en laat de burgers hen hierin aanmoedigen, vreest niet en ontzet u niet voor het aangezicht des konings van Assyrië."
Aldus had de profeet hen van Gods wege bemoedigd, Jesaja 10:24.
Vreest niet voor Assur, en nu hier de koning van Zijnentwege. Nu was het, dat de zondaren in Sion verschrikt waren, Jesaja 33:14.
Maar de rechtvaardigen woonden in de hoogten, vers 15, 16,
en overdachten de verschrikking, maar om haar te overwinnen, vers 18, hetgeen verwijst naar hetgeen hier vermeld is.
2. Hij poogt hun geloof staande te houden teneinde hun vreze te onderdrukken en tot zwijgen te brengen.
Met hem is een menigte, maar met ons is er meer dan met hem, want wij hebben God met ons, en hoevelen rekent gij voor Hem? Met hem is een vleselijke arm, waarop hij vertrouwt, maar met ons is de Heere, onze God, wiens macht onweerstaanbaar is, onze God, wiens belofte onverbreekbaar is een God, in verbond met ons, om ons te helpen en om onze krijgen te krijgen, niet alleen ons te helpen om tegen hen te strijden, maar om voor ons tegen hen te strijden, zo het Hem behaagt, " en dat heeft Hij hier gedaan. Een gelovig vertrouwen op God zal ons verheffen boven de heersende vrees voor de mens. Wie vreest voor de grimmigheid des benauwers, vergeet de Heere, die hem gemaakt heeft, Jesaja 51:12, 13.
Het is waarschijnlijk dat Hizkia meer van die strekking gezegd heeft, en dat het volk steunde op hetgeen hij zei, niet bloot op zijn woord, maar op hetgeen hij zei betreffende de tegenwoordigheid Gods met hen en Zijn macht om hen te verlossen.
Het geloof hieraan stelde hen gerust. Laat de goede onderdanen en krijgsknechten van Jezus Christus aldus steunen op Zijn woord, en vrijmoedig zeggen: Daar God voor ons is, wie kan tegen ons zijn?