2 Kronieken 21:12-20
Hier hebben wij.
I. Een waarschuwing van God, die aan Joram gezonden werd door een geschrift van de profeet Elia. Hieruit blijkt dat Joram op de troon kwam en toonde wat hij was voor Elia's wegneming van de aarde.
Weliswaar wij vinden Elisa bij Josafat en toen werd van hem gezegd, dat hij water op Eli's handen goot 2 Koningen 3:11, en dat was na de geschiedenis van Elia's hemelvaart, maar dat kon van hem gezegd worden terwijl Elia nog op aarde was, en het is zeker dat dit verhaal niet op zijn plaats gegeven is, want wij lezen van Josafats dood en Jorams komst op de troon voor wij van Elia's hemelvaart lezen, 1 Koningen 22:50.
Wij willen onderstellen dat de tijd van zijn heengaan nabij was, zodat hij niet in persoon tot Joram kon gaan, maar dat hij, horende van zijn grote goddeloosheid in het vermoorden van zijn broeders, dit geschrift heeft nagelaten en waarschijnlijk heeft toevertrouwd aan Elisa, om door hem met de eerste gelegenheid aan Joram gezonden te worden, opdat het of een middel zou zijn tot zijn bekering, of een getuigenis tegen is tegen hem zou wezen, dat hem duidelijk gezegd was wat het einde zou zijn van zijn goddeloos bedrijf.
De boodschap wordt hem gezonden in de naam des Heeren, de God van zijn vader David, vers 12, hem zijn betrekking tot David verwijtende, als hetgeen, hoewel het zijn eer was, toch een verzwaring was van zijn ontaarding.
1. Zijn misdaden worden hem duidelijk voor ogen gehouden, zijn afwijken van de goede wegen Gods, waarin hij was opgevoed, en waarin hij geleid en aangemoedigd werd om er in te wandelen, door het voorbeeld van zijn Godvruchtigen vader en grootvader, die leefden en stierven in vrede en in eer, vers 12.
Zijn wandelen op de weg van het huis van Achab, dat ergerlijk goddeloos geslacht, zijn invoeren van afgoderij in zijn rijk, haar met geweld verplichtend maken voor zijn onderdanen, en het vermoorden van zijn broeders, omdat zij beter waren dan hij, vers 13. Dat zijn de hoofden van de beschuldiging tegen hem ingebracht.
2. Er wordt een oordeel tegen hem uitgesproken wegens deze misdaden. Er wordt hem duidelijk gezegd dat zijn zonde gewis het verderf zal zijn.
a. Van zijn koninkrijk en geslacht, vers 14. "Met een grote plaag namelijk met krijg en gevangenschap, zal de Heere u plagen aan uw volk en aan uw kinderen, enz. Slechte mensen brengen Gods oordelen over allen die hen omringen. Zijn volk lijdt rechtvaardiglijk, omdat zij bewilligd hebben in zijn afgoderij en zijn vrouwen, omdat zij er hem toe verleid hebben.
b. Van zijn gezondheid en zijn leven. "Gij zult door zware ziekte worden bezocht, die pijnlijk, lastig en verdrietelijk en ten laatste dodelijk zal zijn, vers 15. Dit wordt hem vooruit gezegd, opdat zijn bloed op zijn eigen hoofd zij, de wachter zijn ziel bevrijd hebbende, en opdat als deze dingen, die zo nauwkeurig voorzegd zijn, geschieden zouden, het zou blijken dat zij niet bij toeval kwamen, maar als de straf voor zijn zonden, en aldus waren bedoeld. En nu indien hij, gelijk hij van Achab had geleerd goddelooslijk te doen, slechts ook, zelfs van Achab had geleerd om na het ontvangen dier dreigende boodschap van Elia zijn klederen te scheuren en een zak om zijn vlees te leggen 1 Koningen 21:27, wie weet of hij dan niet evenals Achab tenminste uitstel had verkregen. Maar het blijkt niet dat hij er nota van genomen heeft, hij wierp het schrift weg als scheurpapier. Elisa scheen hem als een die droomde. Maar zij, die niet willen geloven, zullen gevoelen.
II. De bedreigde oordelen over hem gebracht omdat hij de waarschuwing in de wind sloeg. Geen wonder dat verharde zondaren niet weggeschrikt worden van de zonde en tot berouw en bekering worden gebracht door de bedreiging met rampzaligheid in een andere wereld die toekomend en buiten het gezicht is, als het stellige vooruitzicht van rampzaligheid in deze wereld, het afnemen van hun vermogen en de verwoesting hunner gezondheid hen niet eens van hun bozen weg terughouden.
1. Zie hier nu Joram beroofd van al zijn genot en gerief. God verwekte de geest van zijn naburen tegen hem, die Josafat bemind en gevreesd hadden, maar hem haatten en verachtten, het als iets schandelijks beschouwende voor een volk om zijn goden te veranderen. Zij grepen de een of andere aanleiding aan om met hem te twisten, vielen in zijn land, maar schenen tegen klein noch groot te strijden, behalve alleen tegen het huis des konings, daarheen richtten zij hun schreden, en voerden alle have weg, die er in gevonden werd. Er wordt niet gezegd dat zij iemand gevankelijk weggevoerd hebben, behalve de vrouwen en kinderen des konings, vers 17.
Aldus heeft God duidelijk doen blijken dat de twist was met hem en zijn huis. Hier wordt alleen gezegd: Zij voerden zijn kinderen weg, maar in Hoofdstuk 22:1 bevinden wij dat zij hen allen gedood hadden, bloed voor bloed. Hij had al zijn broeders gedood om zich te sterken, en nu zijn al zijn zonen op één na gedood, en zo is hij verzwakt.
Indien hij niet van het huis van David geweest was, ook die één zou niet ontkomen zijn, toen Jerobeams huis en dat van Baesa en van Achab uitgeroeid werden, werd er niemand overgelaten, maar het huis van David moet niet geheel verdelgd worden, al is het soms ook ellendig ontaard, want er was een zegen in, geen mindere zegen dan de Messias.
2. Zie hem gekweld door een zware, langdurige ziekte, zoals die waarmee zij bedreigd werden door de wet, die de heerlijken en vreeslijken naam, de HEERE, hun God, niet willen vrezen, Deuteronomium 28:58, 59. Zijn ziekte was zeer smartelijk, zij was in zijn ingewanden, met een complicatie van nog andere krankheden, zij was zeer langdurig twee jaren bleef hij ziek en kon geen verlichting krijgen, want de ziekte was ongeneeslijk, hoewel hij nog in de kracht des levens was, nog geen veertig jaren oud. Asa, wiens hart volkomen was met God, al is hij ook in sommige opzichten terzijde afgeweken, was alleen ziek aan zijn voeten, maar Joram, wiens hart goddeloos was, werd getroffen in zijn ingewand, en hij, die geen ingewanden van barmhartigheid heeft gehad voor zijn broeders, werd zo geplaagd in zijn ingewanden, dat zij met de ziekte uitgingen. Zelfs Godvruchtige mensen en zij, die Gode zeer dierbaar zijn, kunnen met die soort van ziekte bezocht en beproefd worden, maar voor hen zijn zij vaderlijke kastijdingen, en door de steun van Goddelijke vertroostingen kan de ziel kalm en gelukkig zijn, terwijl het lichaam hevige smarten lijdt. Deze zware krankheden overvielen hem juist toen zijn huis geplunderd was en zijn vrouwen en kinderen weggevoerd werden.
a. Misschien hebben zijn droefheid en zielsbenauwdheid wegens deze ramp zijn ziekte veroorzaakt of tenminste er veel toe bijgedragen om haar te verergeren.
b. Door deze ziekte was hij buiten staat om iets te doen voor hun verlossing of om wraak te oefenen over de hem aangedane belediging. Ongetwijfeld werd in zijn ziekte zijn smart nog grotelijks vermeerderd, omdat hij het gezelschap van zijn vrouwen en kinderen moest derven en al het goed van zijn huis weggevoerd was. Ziek te zijn en arm, ziek en en eenzaam, maar inzonderheid ziek te zijn en in zonde, ziek en onder de vloek Gods, ziek en ontbloot van de genade om de ziekte te dragen, zonder inwendige vertroosting, die er als het ware een vergoeding en verzoeting voor is-dat voorwaar, is een allertreurigste toestand.
3. Zie hem begraven met versmaadheid. Hij heeft slechts acht jaren geregeerd, en toen ging hij heen zonder begeerd te zijn, vers 20.. Niemand heeft hem gewaardeerd in zijn leven, niemand heeft hem betreurd toen hij stierf, men wenste slechts dat Jeruzalem nooit groter verlies te lijden zou hebben.
Om te tonen hoe weinig genegenheid of achting zij voor hem hadden, wilden zij hem niet in de graven van de koningen begraven, hem onwaardig achtende om onder hen gerekend te worden, die zo slecht geregeerd had.
De uitsluiting van zijn lichaam van de graven van zijn vaderen kan door Gods voorzienigheid verordineerd zijn als een aanduiding van de eeuwige schelding van de zieren van de goddelozen na de dood van de geesten van de volmaakte rechtvaardigen. Nog een verdere schande hebben zij hem aangedaan, door hem geen branding te maken als de branding van zijn vaderen, vers 19.
Zijn nagedachtenis was hun allesbehalve lieflijk of dierbaar, en daarom hebben zij haar niet geëerd met lieflijken reuk of kostbare specerijen, hoewel wij kunnen onderstellen dat na zolang en walglijk een ziekte, zijn dood lichaam wel enige branding van welriekende kruiden nodig gehad zal hebben. De meerderheid des volks, hoe ook tot afgoderij geneigd, had toch geen ware genegenheid voor hun afgodische koningen. Goddeloosheid en onheiligheid maken de mensen verachtelijk, zelfs in de ogen van hen, die zelf weinig Godsdienstig zijn, terwijl het natuurlijk geweten zelf dikwijls eer geeft aan hen, die waarlijk Godvruchtig zijn. Die God verachten zullen, zoals Joram, licht geacht worden.