Bijbelstudie
Boeken
2 Koningen 14
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
1
IN het tweede jaar van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, werd
1
Amázia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda.
2
2
a
Vijf en twintig jaar was hij oud toen hij koning werd, en
3
regeerde negen en twintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was
4
Jóaddan, van Jeruzalem.
3
En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, nochtans
5
niet als zijn vader David; hij deed naar alles wat zijn vader
6
Joas gedaan had.
4
7
Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
5
Het geschiedde nu als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat hij zijn knechten
8
sloeg
9
die den koning, zijn vader, geslagen hadden.
6
Doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet;
10
gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft, zeggende:
11
b
De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden, maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden.
7
Hij sloeg de Edomieten in het
12
Zoutdal, tienduizend, en nam
13
Sela in met krijg, en noemde haar naam
14
Jókteël,
15
tot op dezen dag.
8
Toen zond Amázia boden tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, zeggende: Kom,
16
laat ons elkanders aangezicht zien.
9
Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, zeggende:
17
De distel die op den
18
Libanon is, zond tot den ceder die op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter aan mijn zoon ter vrouw. Maar het gedierte des velds dat op den Libanon is, ging voorbij en vertrad den distel.
10
Gij hebt de Edomieten
19
dapper geslagen; daarom heeft uw hart u verheven. Heb de eer en blijf in uw huis; want waarom zoudt gij u in
20
het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?
11
Doch Amázia hoorde niet; daarom
21
toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amázia, de koning van Juda,
22
elkanders aangezichten zagen, te
23
Beth-Sémes dat in Juda is.
12
En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël, en zij vloden een iegelijk in zijn
24
tenten.
13
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Aházia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de
25
poort van Efraïm tot aan de
26
Hoekpoort, vierhonderd
27
ellen.
14
En hij nam al het goud en het zilver en al de vaten die gevonden werden in het huis des HEEREN en in de schatten van des konings huis, mitsgaders
28
gijzelaars; en hij keerde weder naar Samaría.
15
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
16
En Joas ontsliep met zijn vaderen en werd te Samaría begraven bij de koningen van Israël; en zijn zoon Jeróbeam werd koning in zijn plaats.
17
Amázia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaar.
18
Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
19
En
c
zij
29
maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar
30
Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis en doodden hem aldaar.
20
En zij brachten hem
31
op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven, bij zijn vaderen in de stad Davids.
21
d
En
32
het ganse volk van Juda nam
33
Azária (die nu zestien jaar oud was), en zij maakten hem koning in plaats van zijn vader Amázia.
22
Die bouwde
34
Elath en bracht haar weder aan Juda, nadat
35
de koning met zijn vaderen ontslapen was.
23
In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaría koning: Jeróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël,
36
en
regeerde
een en veertig jaar,
24
En deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
25
Hij
37
bracht ook weder de landpale Israëls van den ingang van
38
Hamath tot aan
39
de zee des vlakken velds; naar het woord des HEEREN, des Gods van Israël, dat Hij gesproken had door
40
den dienst van Zijn knecht
41
e
Jona, den zoon van Amitthai, den profeet, die van
42
Gath-Hefer was.
26
Want de HEERE zag dat de ellende van Israël zeer
43
bitter was, en dat er geen
44
opgeslotenen noch verlatenen waren en dat Israël geen helper had.
27
En de HEERE had niet gesproken
45
dat Hij den naam van Israël van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jeróbeam, den zoon van Joas.
28
Het overige nu der geschiedenissen van Jeróbeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij
46
Damascus en Hamath, tot Juda
behorende
, aan Israël wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
29
En Jeróbeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharía werd koning in zijn plaats.