2 Koningen 13:10-19
Wij hebben hier Joas, de zoon van Joahaz en kleinzoon van Jehu, op de troon van Israël. Het huis van Jehu bedoelde er waarschijnlijk een beleefdheid mee te betonen aan het huis van David, dat zij aan deze vermoedelijke erfgenaam van de kroon de naam gaven van hem, die toen koning van Juda was.
I. Het algemene bericht, dat hier van hem en zijn regering gegeven wordt, is tamelijk gelijk aan dat, hetwelk wij reeds gehad hebben, en er is niet veel merkwaardigs in, vers 10-13. Hij was geen van de slechtsten en toch, omdat hij de oude en politieke afgoderij van het huis van Jerobeam in stand hield, wordt van hem gezegd: Hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren. Dat éne kwaad was genoeg om een onuitwisbaar schandmerk op zijn naam te zetten, want, hoe weinig kwaad de mensen er ook in zagen, in de ogen des Heeren was het een zeer groot kwaad, en wij zijn er zeker van dat Zijn oordeel naar waarheid is. Het is opmerkelijk hoe licht de gewijde schrijver zijn daden voorbijgaat, en zijn macht, waarmee hij oorlog voerde, het aan de gewone geschiedschrijvers overlatende om die te vermelden, terwijl hij alleen nota neemt van de eerbied, die hij aan Elisa betoonde. Een goede daad zal in Gods boek van meer belang zijn dan twintig grote, en in Zijn schatting verkrijgt iemand een betere reputatie door een profeet te eren, dan door een koning met zijn leger te overwinnen.
II. Er zijn in het bijzondere bericht van hetgeen tussen hem en Elisa voorviel verscheidene merkwaardige zaken.
1. Elisa werd ziek, vers 14.
Merk op:
a. Hij leefde lang, want het was nu omstreeks zestig jaren sedert hij voor het eerst geroepen werd om profeet te zijn. Het was een grote zegen voor Israël, en inzonderheid voor de zonen van de profeten, dat hij zolang gespaard bleef, en een brandende en lichtende kaars was. Elia voleindigde zijn getuigenis in het vierde deel van die tijd. Aan Gods profeten is hun tijd vastgesteld, voor sommigen is die tijd langer, voor anderen korter, al naar de Oneindige Wijsheid het goed oordeelt.
b. In het laatste gedeelte van zijn tijd, van de zalving van Jehu, die plaats had vijf en veertig jaren voordat Joas begon te regeren, vinden wij geen melding van hem gemaakt, totdat wij hem hier op zijn sterfbed vinden. Hij kon tot het laatste toe nuttig en tot zegen geweest zijn, zonder zo bekend en beroemd te zijn als hij placht te wezen. Zijn bloeitijd was korter dan zijn leeftijd. Laat oude lieden niet klagen omdat zij nu weinig bekend en gezocht zijn, maar veeleer blijde zijn om nu in afzondering te leven.
c. De geest van Elia rustte op Elisa, en toch wordt hij niet in een vurige wagen naar de hemel gehaald, zoals Elia, maar hij verlaat de wereld langs de gewone weg, en er wordt een bezoeking over hem gedaan naar aller mensen bezoeking Wie zal als God sommigen eert boven anderen, die toch in gaven van de genade hun minderen niet zijn, daar iets op te zeggen hebben? Mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? 2. Koning Joas bezocht hem in zijn ziekte, en weende over zijn aangezicht, vers 14. Het was een blijk dat er iets goeds in hem was, dat hij waardering en genegenheid had voor een getrouw profeet, zover was het van hem om hem te haten en te vervolgen als een beroerder Israëls, dat hij hem eerde en liefhad als een van de grootste zegeningen van zijn koninkrijk, en treurde over zijn verlies. Er zijn zodanigen geweest, die het woord Gods niet wilden gehoorzamen, maar aan wie de getrouwe dienstknechten er van toch zo geopenbaard waren in hun geweten, dat zij niet anders konden dan hen eren.
Merk hier op:
a. Toen de koning hoorde van Elisa's ziekte, kwam hij om hem te bezoeken, en om uit zijn stervende mond zijn raad en zegen te ontvangen, en het was, hoewel hij een koning was, geen verkleining voor hem om aldus hem te eren die God geëerd had. Het kan van groot geestelijk nut en voordeel voor ons zijn om aan het ziekbed en sterfbed van goede Godvruchtige leraren en van andere Godvruchtige mensen te komen, opdat wij leren te sterven, en aangemoedigd worden in de Godsdienst, door de levende vertroosting, die zij er van smaken in hun stervensuur.
b. Hoewel Elisa zeer oud was, gedurende lange tijd nuttig en tot zegen is geweest en, naar de gewone loop van de natuur niet lang meer kon leven, heeft toch de koning, toen hij zag dat hij ziek was en waarschijnlijk ging sterven, over hem geweend. De ouden van dagen hebben de meeste ervaring en kunnen dus het slechtst gemist worden. In vele gevallen is een oud getuige tien jonge waard.
c. Hij uitte zijn droefheid in dezelfde woorden, waarin Elisa zijn droefheid over de wegneming van Elia had te kennen gegeven: Mijn vader mijn vader. Waarschijnlijk had hij ze gehoord of gelezen in deze vermaarde geschiedenis. Zij, die rechtmatige eer geven aan het geslacht, dat voor hen heengaat, worden dikwijls beloond met een zelfde eer van het geslacht, dat na hen komt. Die bevochtigt, bevochtigt met tranen, zal ook zelf een vroege regen worden, Spreuken 11:25.
d. Deze koning was hierin zelfzuchtig: hij betreurde het verlies van Elisa, omdat hij Israëls wagen was en zijn ruiters, en daarom slecht gemist kon worden, toen Israël zo arm was aan wagens en ruiters, zoals wij gezien hebben in vers 7, daar zij met alles en alles slechts vijftig ruiters en tien wagens bezaten. Zij, die beseffen hoeveel Godvruchtige mensen bijdragen tot de bescherming van een volk en het afweren van Gods oordelen, zullen reden zien om hun heengaan te betreuren.
3. Elisa gaf de koning sterke verzekeringen van zijn voorspoed tegen de Syriërs, Israëls tegenwoordige verdrukkers, en moedigde hem aan om de oorlog met kracht tegen hen voort te zetten. Elisa wist dat hij zo ongaarne van hem scheidde, omdat hij hem beschouwde als het grote bolwerk van het koninkrijk tegen deze gemene vijand, en steunde op zijn zegen en zijn gebed in zijn plannen tegen hem. "Welnu" zegt Elisa, "als dat het is, dat u zo treurig maakt, zo laat het u niet beroeren, als ik in mijn graf ben, zult gij over de Syriërs zegevieren. Ik sterf, maar God zal u gewis bezoeken. Hij heeft van de Geest over, en kan andere profeten verwekken om voor u te bidden." Gods genade is niet gebonden aan een hand. Hij kan Zijn werklieden begraven, en toch Zijn werk voortzetten. Om de koning met moed te bezielen tegen de Syriërs geeft hij hem een teken, hij beveelt hem een boog en pijlen te nemen, vers 15, om hem te kennen te geven dat hij, ten einde zijn koninkrijk van de Syriërs te verlossen, een krijgshaftige houding moet aannemen en besluiten, zich aan de gevaren en vermoeienissen van de krijg bloot te stellen. God zal de werker wezen, maar hij moet het werktuig zijn. En hij geeft hem een teken, dat hij voorspoedig zal zijn door hem te zeggen:
A. Dat hij een pijl moet afschieten in de richting van Syrië, vers 16, 17. Ongetwijfeld wist de koning beter een boog te hanteren dan de profeet, maar omdat de pijl, die nu afgeschoten werd, zijn betekenis kreeg van de Goddelijke inzetting, ontvangt hij, alsof hij nu gedisciplineerd moest worden, het woord van bevel van de profeet. Leg uw hand aan de boog: Doe het venster open, Schiet. Ja meer, alsof hij een kind was, dat nooit tevoren een boog had gespannen, legde Elisa zijn handen op de handen van de koning, om te kennen te geven dat hij in geheel zijn krijgstocht tegen de Syriërs moet opzien tot God om leiding en kracht, zijn eigen handen niet genoegzaam moet achten voor zijn werk, maar moet voortgaan in afhankelijkheid van de Goddelijke hulp. "Die mijn handen oefent ten strijde," Psalm 18:35, 144:1. De bevende handen van de stervende profeet die de medewerking en mededeling aanduidden van de kracht Gods, gaven aan deze pijl meer kracht dan de hand van de koning in diens volle sterkte. De Syriërs hadden zich meester gemaakt van het land, dat oostwaarts lag, Hoofdstuk 10:33. Daarheen wordt dus de pijl gericht en de profeet geeft aan het afschieten van deze pijl-hoewel hij in zekere zin in `t wilde weg afgeschoten werd, zo'n betekenis, dat het:
a. een opdracht werd aan de koning om de Syriërs aan te vallen in weerwil van hun macht en van hun in-bezit-zijn van het land.
b. Een belofte van voorspoed daarin, het is een pijl van de verlossing tegen de Syriërs. Het is God, die verlossing gebiedt, en als Hij haar werkt, wie zal haar keren? De pijl van de verlossing is van Hem. "Hij schoot Zijn pijlen " en het werk is volbracht, Psalm 18:15. "Gij zult de Syriërs slaan in Afek, waar zijn nu gelegerd zij, of waar zij al hun strijdkrachten zullen samentrekken, tot verdoens toe, diegenen van hen, die u en uw koninkrijk kwellen en verdrukken."
B. De pijlen tegen de aarde te slaan, vers 18, 19. De profeet, hem in de naam Gods verzekerd hebbende van de overwinning over de Syriërs, wil nu zien welk gebruik hij van zijn overwinning zal maken, of hij haar met meer kracht en ijver zal voortzetten dan Achab, toen Benhadad in zijn macht was. Om hiervan de proef te nemen, beveelt hij hem de pijlen tegen de aarde te slaan. "Geloof dat zij door de pijl van des Heeren verlossing ter aarde neergeworpen, aan uw voeten gelegd zullen worden, en toon mij nu wat gij hun doen zult als gij hen terneergeworpen ziet, of gij doen zult zoals David gedaan heeft, toen God hem "de nek van zijn vijanden heeft gegeven, hen vergruisd heeft als stof voor de wind," Psalm 18:41 -43. De koning toonde niet die vurige ijver, die men bij deze gelegenheid van hem verwacht zou hebben, hij sloeg de pijlen driemaal tegen de aarde, niet meer. Hetzij uit dwaas medelijden met de Syriërs, hun barmhartigheid willende betonen, die hem noch zijn volk ooit barmhartigheid hadden bewezen, of zouden bewijzen, sloeg hij, alsof hij bang was hun zeer te doen of tenminste hen te verderven. Of misschien heeft hij slechts driemaal, en dat nog maar zeer flauwtjes, geslagen, omdat hij het dwaas en kinderachtig vond voor een koning om met zijn pijlen tegen de grond te slaan, en driemaal was genoeg om zich zo dwaas en kinderachtig aan te stellen, alleen maar om de profeet genoegen te doen. Maar door het teken te verachten verloor hij de zaak, die betekend werd, tot grote smart van de stervende profeet, die toornig op hem was, en hem zei, dat hij vijf of zes maal had moeten slaan. Waarom zou hij, niet nauw zijnde in de macht en de belofte Gods, nauw zijn in zijn eigen verwachtingen en pogingen? Het kan niet anders dan een smart zijn voor Godvruchtige mensen, om hen, voor wie zij het goede wensen, in hun eigen licht te zien staan, te zien hoe zij hun zegeningen opgeven, en hun voordeel verliezen tegen hun geestelijke vijanden, waardoor zij deze dan het voordeel geven over zichzelf.