2 Koningen 11:1-3
God had aan David de instandhouding beloofd van zijn geslacht, hetgeen genoemd wordt: een lamp toerichten voor Zijn Gezalfde, en dit moet ons wel iets groots toeschijnen, nu wij gelezen hebben van de algehele verdelging van zoveel koninklijke geslachten, het een na het andere. Nu zien wij hier Davids lamp bijna uitgeblust, maar toch wonderbaar bewaard.
I. Zij was bijna uitgeblust door de barbaarse wreedheid van Athalia, de koningin-moeder, die, vernomen hebbende dat haar zoon Ahazia door Jehu gedood was, zich opmaakte en al het koninklijke zaad ombracht, vers 1, allen van wie zij wist dat zij verwant waren aan de kroon. Haar echtgenoot, Joram, had al zijn broeders, de zonen van Josafat, gedood, 2 Kronieken 21:4. De Arabieren hadden al de zonen van Joram gedood, 2 Koningen 22:1. Jehu had al hun zonen gedood, 2 Kronieken 22:8, en ook Ahazia zelf. Nooit voorzeker werd koninklijk bloed zo kwistig vergoten, gelukkig de mensen van mindere rang en geboorte, die beneden de aandacht zijn van afgunst en mededinging! Maar alsof dit alles nog gering was, brengt nu Athalia nog allen om, die van het koninklijk zaad waren overgebleven. Het was vreemd dat iemand van de zwakkere kunne zo wreed was, dat een vrouw, die zelf een dochter van de koning, de echtgenote van een koning, eens de moeder van de koning was, zo wreed kon zijn voor een koninklijke familie, een familie nog wel, waarin zij zelf was opgenomen, maar zij deed het:
1. Uit eerzucht, zij dorstte naar de regering, en dacht dat zij er op geen andere wijze toe kon geraken. Opdat niemand met haar zou regeren, doodde zij zelfs de kinderen en de zuigelingen, die na haar geregeerd zouden kunnen hebben, uit vrees voor een mededinger moet niemand overblijven om haar opvolger te zijn. En
2. Uit wraakzucht en woede tegen God. Het huis van Achab geheel uitgeroeid zijnde, en ook haar zoon Ahazia, omdat hij er aan verwant was, besloot zij om, als het ware bij wijze van weerwraak, het huis van David te verdelgen, zijn geslacht uit te roeien in trotsering van Gods belofte om het te bestendigen. Het was een dwaze en vruchteloze poging, immers, wie kan Gods belofte tenietdoen? Men zegt wel eens dat grootmoeders meer houden van haar kleinkinderen dan van haar eigen kinderen, en toch is Ahazia's moeder de moedwillige moordenares van Ahazia's zonen, en dat nog wel in hun prille jeugd, toen zij meer dan iemand anders verplicht was hen te verzorgen en op te voeden, wel mocht zij genoemd worden: Athalia de goddeloze, 2 Kronieken 24:7, Izebels eigen dochter, maar hierin was God rechtvaardig en bezocht de ongerechtigheid van Joram en Ahazia, deze ontaarde takken van het huis van David, aan hun kinderen.
II. Het werd wonderbaarlijk bewaard door de vrome zorg van een van Jorams dochters (die de echtgenote was van Jojada, de priester, die een van de zonen van de koning, Joas genaamd, weg stal uit het midden van de zonen van de koning, en hem verborg, vers 2, 3. Die was een vuurbrand uit het vuur gerukt, hoevelen gedood werden, wordt ons niet gezegd, maar het schijnt dat dit kind in de armen van zijn voedster niet gemist werd, of dat er niet naar gevraagd of gezocht werd, tenminste dat het niet werd gevonden. De persoon, die hem redde, was zijn eigen tante, de dochter van de goddeloze Joram. Voor hen, die God beschermd wil hebben, zal Hij beschermers verwekken. De plaats, waar hij veilig verborgen was, was het huis des Heeren, een van de kamers, die tot de tempel behoorden, een plaats, die Athalia weinig bezocht. Door hem daarheen te brengen, stelde zijn tante hem onder Gods bijzondere bescherming, en zo verborg zij hem in het geloof, zo was Davids woord bewaarheid aan één uit zijn eigen zaad: Hij "verbergt mij in Zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent," Psalm 27:5. Met goede reden heeft deze Joas, toen hij opgegroeid was, er zich toe begeven om de breuken van het huis des Heeren te herstellen, want het was hem een toevlucht geweest. Nu was de belofte, gedaan aan David, besloten in een enkel leven, en toch faalde zij niet. Aldus zal God aan de Zoon van David naar Zijn belofte een geestelijk zaad verzekeren, dat, hoewel het soms tot een zeer klein getal verminderd is, ja schijnbaar verloren is, toch bestendig zal worden tot aan het einde van de tijd, soms is het verborgen, wordt het niet gezien, maar verborgen in Zijn tent, en ongedeerd. Het was een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid, dat Joram, hoewel een koning, een goddeloze koning, zijn dochter tot vrouw gaf aan Jojada, een priester, een Godvruchtige priester. Sommigen hebben het misschien een verkleining geacht voor de koninklijke familie om een dochter met een geestelijke te doen trouwen, maar het bleek een gelukkig huwelijk te zijn, waardoor de koninklijke familie van de ondergang werd gered, want Jojada's invloed in de tempel gaf haar de gelegenheid om het kind te redden, en haar invloed op de koninklijke familie, gaf hem de gelegenheid om hem op de troon te plaatsen. Zie de wijsheid en de zorg van Gods voorzienigheid, en hoe Hij toebereidselen maakt om hetgeen Hij bedoelt tot stand te brengen, en zie welke zegeningen zij bereiden voor hun geslacht, die hun kinderen uithuwelijken aan hen, die wijs en Godvruchtig zijn.