Bijbelstudie
Boeken
2 Koningen 12
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
1
IN het
a
zevende jaar van
1
Jehu werd
2
Joas koning en regeerde veertig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was
3
Zibja van
4
Berséba.
2
En Joas deed wat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen,
5
in dewelke de priester Jójada hem onderwees.
3
Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
4
En Joas zeide tot de priesters:
b
Al het geld
6
der geheiligde dingen dat gebracht zal worden in het huis des HEEREN,
te weten
het geld
7
desgenen die overgaat
tot de
8
getelden
,
9
het geld van een ieder
10
der personen
naar
zijn schatting,
en
11
al het geld dat in eens ieders hart
12
komt om
dat
te brengen in het huis des HEEREN,
5
Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis
13
verbeteren, naar alles wat er
14
voor breuk bevonden zal worden.
6
Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.
7
Toen riep de koning Joas den priester Jójada en de
andere
priesters en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan,
15
neemt geen geld van uw bekenden,
16
dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.
8
En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.
9
Maar de priester Jójada
17
nam een kist, en boorde een gat in haar
18
deksel, en zette die bij het altaar
19
ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis des HEEREN; en de priesters die den
20
dorpel bewaarden, staken daarin al het geld dat ten huize des HEEREN gebracht werd.
10
Het geschiedde nu als zij zagen dat veel geld in de kist was, dat des konings
21
schrijver met den hogepriester opkwam, en zij
22
bonden het samen en telden het geld dat in het huis des HEEREN gevonden werd.
11
En zij gaven het geld welgewogen in handen der
23
verzorgers van dat werk, die besteld waren over het huis des HEEREN; en zij besteedden het uit aan de
24
timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des HEEREN vermaakten,
12
En aan de
25
metselaars en aan de steenhouwers, en om hout en
26
gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis des HEEREN te verbeteren, en voor al wat
27
uitgegeven werd voor het huis om
dat
te beteren.
13
Evenwel
28
werden niet gemaakt voor het huis des HEEREN
29
zilveren schalen, gaffels, sprengbekkens, trompetten,
noch
enig gouden vat of zilveren vat, van het geld dat ten huize des HEEREN gebracht werd.
14
Maar zij gaven dat dengenen die het werk deden; en zij beterden daarmede het huis des HEEREN.
15
Daartoe
30
eisten zij geen rekening van de mannen wien zij dat geld in hun handen gaven om aan degenen die het werk deden, te geven; want zij handelden
31
trouwelijk.
16
Het geld van schuldoffer en het geld van zondoffers werd ten huize des HEEREN niet gebracht; het was voor de priesters.
17
32
c
Toen trok Házaël, de koning van Syrië, op en krijgde tegen
33
Gath en nam haar in;
d
daarna
34
stelde Házaël zijn aangezicht om tegen Jeruzalem op te trekken.
18
e
Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen die Jósafat, en Joram en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn
35
geheiligde dingen en al het goud dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.
19
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
20
f
En zijn knechten stonden op en maakten een verbintenis, en sloegen Joas
36
in het huis van Millo, dat afgaat naar
37
Silla;
21
Want
38
Józacar, de zoon van
39
Símeath, en
40
Józabad, de zoon van
41
Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de
42
stad Davids; en Amázia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.