1 Samuël 24:1-9
I. Wij zien hier hoe Saul zijn vervolgen van David hervat, vers 1,
Niet zodra is hij veilig teruggekomen van de Filistijnen te verjagen, waarbij hij voorspoedig schijnt geweest te zijn, of hij doet onderzoek naar David, om hem kwaad te doen, en hij besluit om hem wederom te vervolgen, "alsof hij verlost was om al deze gruwelen te doen", Jeremia 7:10.
Door de herhaalde invallen van de Filistijnen had hij kunnen zien hoe nodig het was om David terug te roepen uit zijn ballingschap, en hem in zijn plaats in het leger te herstellen, maar zo weinig denkt hij hieraan, dat hij nu meer dan ooit verbitterd tegen hem is, en, vernemende dat hij in de woestijn van Engedi is, neemt hij drie duizend uitgelezen mannen en gaat met deze op weg om David op te sporen op de rotsstenen der steenbokken, waar, naar men zou denken, aan David het verblijf niet misgund of benijd zou worden, noch dat Saul de lust zou hebben om hem daar te verontrusten, immers, welk kwaad kon hij vrezen van iemand, die van geen betere verblijfplaats als deze voorzien was? Maar het voldoet Saul niet, dat David aldus opgesloten is, hij kan, zolang als hij leeft, geen rust hebben.
II. Gods voorzienigheid brengt Saul in dezelfde spelonk, waarin David en zijn mannen zich hadden verborgen, vers 4. In die landen bevonden zich in de glooiingen van rotsen of bergen zeer grote spelonken, deels door de natuur gevormd, maar waarschijnlijk nog zeer vergroot en verruimd door de kunst tot beschutting van de schapen tegen de hitte van de zon, vandaar dat wij lezen van plaatsen, "waar de kudde legert op de middag", Hooglied 1:7, en van deze spelonk schijnt gesproken te worden als van een van de schaapskooien.
In deze spelonk verbleef David met zijn mannen, misschien niet al de zes honderd, maar slechts enige van zijn bijzondere vrienden, terwijl de overigen zich in gelijksoortige holen ophielden.
Saul, daar voorbijgaande, ging hij alleen naar binnen niet om David te zoeken, (want daar hij dacht dat David een rusteloos eerzuchtig man was dacht hij hem eerder te vinden met de steenbokken de rotsen beklimmende, dan met de schapen in een spelonk teruggetrokken) maar hij ging er om zijn voeten te dekken, dat is: om er een poos te slapen, daar het een koele en rustige plaats was, zeer verkwikkend in de hitte van de dag.
Waarschijnlijk gaf hij zijn volgelingen bevel om vooruit te gaan, slechts enkelen terughoudende om hem aan de ingang van de spelonk te wachten.
III. Davids dienaren porren hem aan om Saul te doden, nu hij er zulk een goede gelegenheid voor had, vers 5. Zij zeggen hem dat dit de dag was, waarnaar hij zolang heeft uitgezien, en waarvan God hem in het algemeen gesproken had, toen hij gezalfd werd voor het koninkrijk, die een einde zou maken aan zijn moeilijkheden en de weg zou banen voor zijn verhoging.
Saul was nu in zijn macht, en men kon zich licht voorstellen dat hij weinig barmhartigheid zou vinden bij Saul, weshalve hij weinig reden had om hem barmhartigheid te bewijzen. "Stellig moet gij hem nu de dodelijken slag toebrengen", zeggen zijn dienaren. Zie hoe onderhevig wij er aan zijn: 1. Om de beloften Gods verkeerd te begrijpen. God had aan David verzekerd dat hij hem van Saul zou verlossen, en zijn mannen vatten dit op als een volmacht om hem te doden.
2. Gods voorzienigheid verkeerd te verstaan, omdat het nu in zijn macht is hem te doden denken zij dat het hem ook geoorloofd is.
IV. David sneed stilletjes een slip van Sauls mantel maar had er spoedig berouw van, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had, vers 6.
Hoewel het Saul geen wezenlijk kwaad deed, en David tot bewijs diende dat hij het in zijn macht heeft gehad hem te doden, vers 12, wenste hij toch, omdat het een belediging was van Sauls koninklijke waardigheid, dat hij het niet gedaan had.
Het is goed een hart in ons binnenste te hebben, dat ons slaat om zonden, die klein schijnen, het is een teken dat het geweten ontwaakt is en teder is, en zal het middel wezen om grotere zonden te voorkomen.
V. Hij redeneert sterk, beide met zichzelf en met zijn dienstknechten, tegen het denkbeeld van Saul kwaad te doen.
1. Hij redeneert met zichzelf: Dat late de HEERE ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, den gezalfde des HEEREN, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou, want hij is de gezalfde des HEEREN!.
Zonde is een zaak, waarvoor wij moeten terugdeinzen, en waarvan wij de verzoeking moeten weerstaan, niet slechts met vastberadenheid, maar met een heilige verontwaardiging.
Hij beschouwt Saul thans niet als de vijand en de enigen persoon, die hem in de weg stond voor zijn bevordering, want dan zou hij gehoor hebben gegeven aan de verzoeking, maar als Gods gezalfde, dat is: de persoon, door God aangewezen om te regeren zolang als hij leefde, en die, als zodanig, onder de bijzondere bescherming stond van de Goddelijke wet, en als zijn meester, aan wie hij trouw verschuldigd was. Laat dienstboden en onderdanen hieruit leren trouw en gehoorzaam te zijn, welke hardheden zij ook te verduren hebben, 1 Petrus 2:18.
2. Hij redeneert met zijn dienstknechten. Hij liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul, vers 8. Hij wilde niet alleen zelf deze slechte daad niet doen, maar ook de hem omringenden niet toelaten haar te doen.
Aldus heeft hij kwaad met goed vergolden aan hem van wie hij kwaad voor goed had ontvangen, en hierin was hij een type van Christus die Zijn vervolgers heeft verlost en zalig gemaakt, en een voorbeeld voor alle Christenen, om van het kwade niet overwonnen te worden, maar het kwade door het goede te overwinnen.
Vl. Hij volgt Saul buiten de spelonk, en ofschoon hij geen gebruik wilde maken van de gelegenheid om hem te doden, heeft hij toch wijselijk de gelegenheid gebruikt om, zo het mogelijk was, zijn vijandschap te doden, door hem er van te overtuigen, dat hij niet zulk een man was, als waarvoor hij hem hield.
1. Zelfs door zich aan hem te vertonen getuigde hij dat hij een eervolle mening koesterde van Saul. Hij had maar al te veel reden om te geloven dat-hij mocht zeggen wat hij wilde-Saul hem terstond zou doden, zodra hij hem zag, en toch legt hij kloekmoedig die vrees af, en acht Saul een man van verstand te zijn, zodat hij naar rede kon luisteren, daar hij toch zoveel tot zijn rechtvaardiging kon aanvoeren en hem zo'n nieuw en onbetwistbaar bewijs kon geven van zijn oprechtheid en trouw.
2. Hij gedroeg zich zeer eerbiedig jegens hem, David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich, eer gevende aan wie eer toekwam, en ons lerende ons nederig en eerbiedig te gedragen jegens al onze meerderen, zelfs jegens hen, die hoogst beledigend en kwaadwillig voor ons zijn geweest.