1 Samuël 13:8-14
I. Hier is Sauls overtreding door offeranden te offeren voordat Samuël kwam. Toen Samuël hem gezalfd heeft, heeft hij hem bevolen te Gilgal zeven dagen op hem te wachten, belovende dat hij aan het einde dier zeven dagen gewis tot hem zou komen, beide om voor hem te offeren, en om hem te zeggen wat hij doen moest. Dit hadden wij in Hoofdstuk 10:8.
Misschien was dit bevel, hoewel het daar staat opgetekend, hem later gegeven, of was het hem gegeven als een algemene regel, die voor iedere openbare samenkomst te Gilgal waargenomen moest worden of, wat zeer waarschijnlijk is, hoewel het niet weer vermeld wordt, was dit bevel onlangs herhaald met betrekking tot deze bijzondere gelegenheid, want het is duidelijk dat Saul zelf het begrepen heeft als verplicht voor hem van Gods wege, om nu te wachten totdat Samuël kwam, ander zou hij zoveel verontschuldigingen niet aangeboden hebben voor zijn niet-wachten, vers 11.
Dit bevel heeft Saul overtreden, hij wachtte tot aan de zevenden dag, maar had geen geduld om te wachten tot aan het einde van de zevenden dag. Misschien begon hij Samuël in zijn hart te verwijten, dat hij ontrouw was aan zijn woord, onverschillig voor zijn land, en oneerbiedig jegens zijn vorst, en achtte hij het voegzamer dat Samuël op hem zou wachten, dan hij op Samuël. Maar
1. Hij durfde het onderstaan te gaan offeren zonder Samuël, en deed dit zelf, want uit niets blijkt het tegendeel, hoewel hij noch profeet, noch priester was, alsof hij, omdat hij koning was, alles mocht doen, een vermetelheid, die aan koning Uzzia duur te staan is gekomen, 2 Kronieken 26:16 en verv.
2. Hij besloot de strijd met de Filistijnen te gaan strijden `zonder Samuëls raad of aanwijzing, hoewel Samuël beloofd had hem bekend te zullen maken wat hij doen meest. Zo zelfgenoegzaam was Saul, dat hij het niet van de moeite waard achtte om op een profeet des HEEREN te wachten, die voor hem zou bidden of hem raad zou geven.
Dit was Sauls overtreding, en wat haar nog verzwaarde was:
a. Dat hij, voorzoveel blijkt, geen boden tot Samuël gezonden heeft, om zijn bedoeling te kennen, hem de zaak voor te stellen, en nieuwe aanwijzingen van hem te ontvangen, hoewel hij toen genoeg lieden bij zich had, die snelvoetig genoeg waren.
b. Dat hij, toen Samuël kwam, veeleer schijnt te roemen op wat hij gedaan heeft, dan er berouw van te tonen, blij scheen te zijn met de gelegenheid, die hij had, om aan Samuël te doen weten dat hij hem niet nodig had, het best zonder hem kon stellen.
Hij ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen, alsof hij zichzelf nu als een volkomen priester beschouwde, gemachtigd om te zegenen zowel als te offeren, terwijl hij had moeten uitgaan om zich door hem te laten zegenen.
c. Dat hij Samuël van woordbreuk beschuldigde: ik zag dat gij op de bestemden tijd der dagen niet kwaamt, vers 11, en daarom, zo er iets verkeerds was, dan is dit de schuld van Samuël en Samuël was Gods dienaar, terwijl deze wèl overeenkomstig zijn woord gekomen is, eer de zeven degen om waren. Zo denken de spotters van de laatste dagen, dat de belofte van Christus' wederkomst verbroken is, omdat Hij niet op hun tijd komt, hoewel het zeker is, dat Hij op de bestemden tijd zal komen.
d. Dat hij, toen hij van ongehoorzaamheid werd beschuldigd, zich rechtvaardigde in hetgeen hij gedaan had, en er geen het minste berouw van heeft getoond. Het is niet het zondigen, dat de mensen ten verderve brengt, maar het zondigen zonder er berouw over te hebben, het vallen zonder op te staan. Zie welke verontschuldigingen hij maakt, vers 11, 12. Hij wilde deze zijn daad van ongehoorzaamheid beschouwd zien:
a.a. Als een voorbeeld van zijn wijsheid, de meesten van het volk waren van hem verstrooid, en hem restte geen ander middel dan dit om degenen, die nog bij hem waren, bij zich te houden, en te voorkomen dat ook zij deserteerden. Zo Samuël de openbare belangen veronachtzaamde, hij, Saul, wilde dit niet doen.
b.b. Als een voorbeeld van zijn Godsvrucht, hij wilde als zeer vroom beschouwd worden, en in grote zorg om de strijd met de Filistijnen niet aan te gaan, vóór hij door gebed en offerande God aan zijn zijde heeft zoeken te verkrijgen.
"De Filistijnen, zei hij, zullen tot mij afkomen, vóór ik het aangezicht des Heeren ernstig aangebeden heb, en dan ben ik verloren".
"Hoe! ten krijg uittrekken, eer ik gebeden heb!" Zo bedekte hij zijn ongehoorzaamheid aan Gods gebod, met een voorgeven van zorg om Gods gunst te verkrijgen.
Geveinsden leggen een groten nadruk op de uitwendige verrichtingen van de Godsdienst, menende hierdoor hun veronachtzaming van het zwaarste van de wet te verontschuldigen.
En toch erkent hij dat hij het tegen zijn geweten gedaan heeft, ik dwong mijzelf en heb brandoffer geofferd, er zich misschien op beroemende, dat hij zijn overtuiging op zijde had gezet en ze overwonnen heeft, of tenminste denkende dat hij wist, dat hij niet had moeten doen wat hij gedaan heeft, en het daarom met tegenzin gedaan heeft.
Dwaze mens! Te denken dat God een welbehagen kon hebben in offeranden, die gebracht werden in strijd met Zijn algemeen en Zijn bijzonder gebod.
II. Het vonnis geveld over Saul wegens deze overtreding. Samuël vond hem staande bij zijn brandoffer, maar hij was, inplaats van met een antwoord des vredes, met zware tijdingen gezonden, en hij deed hem te weten dat het offer des goddelozen de Heere een gruwel is, en nog temeer als hij het, evenals Saul, brengt met een schandelijk voornemen.
1. Hij toont hem het verzwarende van zijn misdaad, en zegt tot deze koning: Gij goddelozen, hetgeen niemand dan een profeet betaamt te zeggen, Job 34:18.
Hij legt hem ten laste een vijand te zijn van zichzelf en van zijn eigen belangen. Gij hebt zottelijk gedaan, en zijt een rebel tegen God en Zijn regering. "Gij hebt het gebod des Heeren, uws Gods, niet gehouden, het gebod waarmee Hij uw gehoorzaamheid op de proef wilde stellen". Zij die Gods geboden niet houden, doen zottelijk voor zichzelf. Zonde is dwaasheid, en zondaren zijn de grootste dwazen.
2. Hij kondigt hem zijn vonnis aan, vers 14. Uw rijk zal niet lang bestaan voor u en uw geslacht. God heeft het oog op iemand anders, op een man naar Zijn hart, en die u niet gelijkt niet evenals gij, zijn eigen zin wil doen". Het vonnis is feitelijk hetzelfde als Mene tekel. Nu slechts schijnt er nog plaats voor Sauls berouw waarop dit vonnis herroepen zou zijn, maar bij de volgende daad van ongehoorzaamheid is het onherroepelijk geworden, Hoofdstuk 15:20.
En nu, duizendmaal beter ware het voor hem geweest, indien hij als onbekend particulier zijn ezelinnen was blijven hoeden, dan ten troon te zijn gekomen om weer onttroond te worden.
Maar was het niet hard, om zo streng een vonnis te vellen over hem en zijn huis wegens een enkele dwaling, die zo klein scheen, en ter verontschuldiging waarvan hij zoveel kon inbrengen? Neen, de Heere is rechtvaardig in al zijn wegen en doet niemand onrecht aan, Hij is rechtvaardig in Zijn spreken en rein in Zijn richten. Hiermede toont Hij:
a. Dat geen zonde klein is, omdat God niet klein is, tegen wie gezondigd wordt, maar dat iedere zonde een verbeuren is van het hemelse koninkrijk waarheen wij goed op weg waren.
b. Hij toont dat ongehoorzaamheid aan een uitdrukkelijk gebod, al is het ook in een kleine zaak, een grote terging is, zoals in het geval van onze eerste ouders.
c. Hij waarschuwt ons om ons te wachten met onze geest, want wat aan de mensen slechts een kleine overtreding toeschijnt, kan in het oog van Hem, die weet uit welk beginsel en welke gemoedsgesteldheid zij begaan wordt, een snode misdaad zijn.
d. Door Saul te verwerpen voor een schijnbaar geringe dwaling, doet God Zijn genade, waarmee Hij grote zonden, zoals die van David, Manasse en anderen, vergeeft, zoveel sterker uitkomen.
e. Hiermede wordt ons geleerd, hoe noodzakelijk het is altijd op onze God te wachten. Saul verloor zijn koninkrijk uit gebrek aan twee of drie uur geduld.