Bijbelstudie
Boeken
1 Kronieken 9
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
1
EN gans Israël werd in geslachtsregisters geteld, en zie, zij zijn geschreven in het boek der koningen Israëls. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel om hunner overtreding wil.
2
De
1
eerste inwoners nu die in hun bezitting, in hun steden
kwamen
, waren
2
de Israëlieten, de priesters, de Levieten en de
3
Nethínim.
3
Maar te Jeruzalem
4
woonden van de kinderen van Juda en van de kinderen van Benjamin, en
5
van de kinderen van Efraïm en Manasse:
4
Uthai, de zoon van Ammíhud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van
6
de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
5
En
7
van de Silonieten was Asája, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
6
En van de kinderen van Zerah was Jeúël, en van hun
8
broederen waren zeshonderd en negentig.
7
En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodávja, den zoon van Hassenúa;
8
En Jibnéa, de zoon van Jeróham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefátja, den zoon van Rehuël, den zoon van Jibnia;
9
En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.
10
Van de priesters nu, Jedája en Jójarib en Jachin,
11
En
9
Azárja, de zoon van
10
Hilkía, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merájoth, den zoon van Ahítub,
11
overste van
12
het huis Gods;
12
En Adája, de zoon van Jeróham,
13
den zoon van Pashur, den zoon van Malchía; en Masai, de zoon van Adíël, den zoon van Jahzéra, den zoon van Mesullam, den zoon van Messilémith, den zoon van Immer;
13
Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend en zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.
14
Van de Levieten nu waren Semája, de zoon van Hassub, den zoon van Azríkam, den zoon van Hasábja, van de kinderen van Merári;
15
En Bakbakkar, Heres en Galal en Mattánja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;
16
En Obadja, de zoon van Semája, den zoon van Galal, den zoon van Jedúthun; en Beréchja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de
14
dorpen der Netofatieten.
17
De
15
portiers nu waren: Sallum en Akkub en Talmon en Ahíman, en hun
16
broeders; Sallum was het hoofd.
18
Ook tot nog toe, aan de
17
poort des konings oostwaarts, waren
18
dezen de
19
portiers onder de legers der kinderen van Levi.
19
En Sallum, de zoon van Koré, den zoon van Ebjásaf, den zoon van Korach, en zijn
20
broeders van het huis zijns vaders, de Korachieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpels des tabernakels; gelijk hun
21
vaders in
22
het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den
23
ingang,
20
Als Pínehas, de zoon van Eleázar, tevoren voorganger bij hen was, met welken de
24
HEERE was.
21
25
Zechárja, de zoon van Meselémja, was portier aan de deur van de tent der samenkomst.
22
Allen die uitgelezen waren tot portiers aan de dorpels, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen;
26
David en
27
Samuël,
28
de ziener, hadden hen in hun
29
ambt bevestigd.
23
Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van
30
het huis des HEEREN, in het huis der tent,
31
aan de wachten.
24
Die portiers waren
32
aan de vier winden, tegen het oosten, tegen
33
het westen, tegen het noorden en tegen het zuiden.
25
En hun
34
broeders waren op hun dorpen,
35
inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd om
36
met hen
te dienen
.
26
Want
37
in dat ambt waren vier overste portiers, die Levieten waren; en zij
38
waren over de kamers en over de schatten van het huis Gods.
27
En
39
zij bleven overnacht rondom het huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de
40
opening,
41
en dat allen morgen.
28
En
enigen
van hen waren over de vaten
42
van den dienst; want bij getal droegen zij ze in en bij getal droegen zij ze uit.
29
Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten en over al de heilige vaten, en over de meelbloem en wijn en olie en wierook en specerijen.
30
En uit de zonen der priesters waren
43
de bereiders van
44
het reukwerk der specerijen.
31
En Mattíthja uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van
45
Sallum, den Korachiet, was in het ambt over het werk
46
dat in pannen gekookt wordt.
32
En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren
enigen
over
47
de broden der toerichting, om
die
48
alle sabbatten te bereiden.
33
Uit
49
dezen zijn ook de zangers, hoofden
50
der vaderen onder de Levieten in de
51
kamers,
52
dienstvrij;
53
want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.
34
Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
35
Maar te Gíbeon
54
hadden gewoond Jeíël, de vader van Gíbeon
55
(de naam zijner zuster nu was Máächa);
36
En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur en Kis en Baäl en
56
Ner en Nadab,
37
En Gedor en Ahío en Zachárja en Mikloth.
38
Mikloth nu gewon Símeam; dezen
57
woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.
39
En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jónathan en Malchi-Sua en Abinádab en Esbáäl.
40
En Jónathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl gewon Micha.
41
De kinderen van Micha nu waren Pithon en Melech en Thaëréa.
58
42
En
59
Achaz gewon Jáëra, en Jáëra gewon Alémeth en Azmáveth en Zimri; en Zimri gewon Moza;
43
En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refája; wiens zoon was Elása; wiens zoon was Azel.
44
Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azríkam, Bochru en Ismaël en Searja en Obadja en Hanan; dezen zijn Azels zonen.