Bijbelstudie
Boeken
Nehemia 11
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
1
VOORTS
1
woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien één uit te brengen die in de
2
heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen
3
delen in de
andere
steden.
2
En het volk
4
zegende al de mannen die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.
3
En dit zijn de hoofden van het
5
landschap die te Jeruzalem woonden (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun steden,
6
Israël, de priesters en de Levieten en de
7
Nethínim en de kinderen der
8
knechten van Sálomo):
4
Te Jeruzalem dan woonden
sommigen
van de kinderen van Juda en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athája, de zoon van Uzzia, den zoon van Zachárja, den zoon van Amárja, den zoon van Sefátja, den zoon van Mahaláleël, van de kinderen van Perez;
5
En Maäséja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-Hozé, den zoon van Hazája, den zoon van Adája, den zoon van Jójarib, den zoon van Zachárja, den zoon van Silóni.
6
Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en zestig
9
dappere mannen.
7
En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Joëd, den zoon van Pedája, den zoon van Kolája, den zoon van Maäséja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jesaja;
8
En na hem Gabbai, Sallai; negenhonderd acht en twintig.
9
En Joël, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van Senúa, was de tweede over de stad.
10
Van de priesters: Jedája, de zoon van Jójarib, Jachin;
11
Serája, de zoon van Hilkía, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merájoth, den zoon van Ahítub, was
10
voorganger van Gods huis.
12
En hun broederen, die het werk
11
in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adája, de zoon van Jeróham, den zoon van Pelálja, den zoon van Amzi, den zoon van Zachárja, den zoon van Pashur, den zoon van Malchía.
13
En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azáreël, den zoon van Achzai, den zoon van Mesillémoth, den zoon van Immer.
14
En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zábdiël, de zoon van
12
Gédolim.
15
En van de Levieten: Semája, de zoon van Hassub, den zoon van Azríkam, den zoon van Hasábja, den zoon van Bunni.
16
En Sábbethai en Józabad, van de hoofden der Levieten, waren over het
13
buitenwerk van het huis Gods.
17
En Mattánja, de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf, was het hoofd,
14
die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broederen; en Abda, de zoon van Sammúa, den zoon van Galal, den zoon van Jedúthun.
18
Al de Levieten in de
15
heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig.
19
En de portiers, Akkub, Talmon, met hun broederen,
16
die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig.
20
Het overige nu van
17
Israël, van de priesters
en
de Levieten, was in alle steden van Juda, een iegelijk in zijn
18
erfdeel.
21
En de Nethínim woonden in
19
Ofel; en Ziha en Gispa waren over de Nethínim.
22
En der Levieten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasábja, den zoon van Mattánja, den zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers
20
tegenover het werk van Gods huis.
23
Want er was een gebod des konings van hen, te weten een
21
zeker onderhoud voor de zangers, elk dagelijks op zijn dag.
24
En Petáhja, de zoon van Mesezábeël, van de kinderen van Zerah, den zoon van Juda, was
22
aan des konings hand
23
in alle zaken tot het volk.
25
In de dorpen nu op hun akkers woonden
sommigen
van de kinderen van Juda in
24
Kirjath-Arba en haar
25
onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekábzeël en haar dorpen,
26
En te Jésua en te Mólada en te Beth-Pálet,
27
En te Hazar-Sual en in Berséba en haar onderhorige plaatsen,
28
En te Ziklag en in Mechóna en haar onderhorige plaatsen,
29
En te En-Rimmon en te Zora en te Jarmuth,
30
Zanóah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azéka en haar onderhorige plaatsen. En zij
26
legerden zich van Berséba af tot aan het
27
dal Hinnom.
31
De kinderen van Benjamin nu van Geba
woonden
in Michmas en Aja en Bethel en haar onderhorige plaatsen,
32
Anathoth, Nob, Anánja,
33
Hazor, Rama, Gitthaïm,
34
Hadid, Zebóïm, Nebállat,
35
Lod en Ono,
in
het dal der
28
werkmeesters.
36
Van de Levieten nu
woonden sommigen in
de
29
verdelingen van Juda
en
Benjamin.