1 Kronieken 6:1-30
Voor de priesters en Levieten was het van meer belang dan voor al de Israëlieten om hun stamboom duidelijk te hebben en hun afkomst te kunnen bewijzen, omdat al de eer en de voorrechten van hun ambt daarvan afhingen.
En wij lezen van dezulken die, hoewel zij misschien werkelijk kinderen van de priesters waren, toch omdat zij hun register niet konden vinden "als onreinen van het priesterdom geweerd werden" en het werd hun verboden van de heilige dingen te eten, Ezra 2:62, 63.
Het is slechts zeer weinig, dat hier van de geslachtsregisters van deze heilige stam wordt vermeld.
1. De eerste vaderen ervan worden hier twee maal genoemd, vers 1,16.. Gerson, Kahath en Merári zijn drie namen, waarmee wij gemeenzaam bekend werden in het boek van Numeri, toen de geslachten van de Levieten gerangschikt werden, en hun hun werk werd aangewezen.
Van Aäron, en Mozes, en Mirjam hebben wij veel meer geweten dan hun namen, en wij kunnen ze hier niet voorbijgaan, zonder te gedenken dat dit die Mozes en Aäron waren, die God geëerd heeft door hen tot de werktuigen te maken van Israëls verlossing en vestiging, "typen van Hem, die komen zou", Mozes als een profeet, en Aäron als een priester.
En de vermelding van Nadab en Abihu (hoewel het, daar zij geen kinderen hadden, niet nodig was hen in het geslachtsregister op te nemen) moet ons wel herinneren aan de verschrikkingen van de Goddelijke gerechtigheid, waarvan zij de monumenten waren wegens hun brengen van vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren, opdat wij ten allen tijde voor Hem vrezen.
2. De lijn van Eleázar, de opvolger van Aäron, wordt hier getrokken tot aan de tijd van de gevangenschap, vers 4-15.
Zij begint met Eleázar, die uit het diensthuis van Egypte is gekomen, en eindigt met Józadak, die in het diensthuis van Babel gevoerd werd. Aldus werden zij, om hun zonden, gelaten zoals zij gevonden waren, hetgeen ook te kennen kan geven dat het Levietische priesterschap geen ding volmaakt heeft, dat moet geschieden door "de invoering van een betere hoop", Hebreeën 7:19.
Allen, die hier genoemd zijn, waren geen hogepriesters, want in de tijd van de richteren is die waardigheid bij de een of andere gelegenheid in het geslacht van Ithamar overgebracht, tot hetwelk Eli behoord heeft, maar met Zadok is zij weer in de rechtmatige linie gekomen. Van Azarja wordt hier gezegd, vers 10 :"hij is het die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had".
Men veronderstelt dat het deze Azarja was, die zich kloekmoedig gesteld heeft tegen de aanmatiging van koning Uzzia, toen hij inbreuk maakte op het priesterambt, 2 Kronieken 26:17 hoewel hij er zijn leven mee in de waagschaal heeft gezet.
Dit was handelen als een priester, als een, die waarlijk ijverde voor zijn God. Van hem, die aldus kloekmoedig het priesterambt hooghield en verdedigde tegen zo'n vermetele beledigende aanranding, kan wèl gezegd worden, dat hij het `bediende' of `volvoerde', en deze eer wordt dieswege op hem gelegd, terwijl aan Uria, een van zijn opvolgers, wegens zijn lage inschikkelijkheid jegens Achaz in het bouwen van zijn afgodisch altaar, de schande wordt aangedaan om uit dit geslachtsregister weggelaten te worden, zoals misschien ook anderen ervan uitgelaten werden.
Maar sommigen denken dat de aantekening bij deze Azarja bij zijn grootvader, die dezelfde naam droeg, gemaakt had moeten worden, vers 9. Hij was de zoon van Ahimaäz, en deze zou het geweest zijn, die het eerst de dienst in Salomo's tempel verricht heeft.
3. Er wordt hier ook nog van enige andere geslachten van de Levieten bericht gegeven.
Een van de geslachten van Gersom (dat van Libni) wordt tot op Samuël gebracht, die de eer had van, behalve een Leviet, ook nog een profeet te zijn. Ook van een van de huisgezinnen van Merári (dat van Mahli) worden enige afstammelingen opgegeven, vers 29, 30.