1 Kronieken 4:24-43
Wij hebben hier sommigen van de geslachtsregisters van de stam van Simeon (hoewel dit geen zeer aanzienlijke stam was), inzonderheid van de vorsten van deze stam, vers 38. Van deze stam wordt gezegd dat hij "vermenigvuldigde, doch niet gelijk de kinderen van Juda", vers 27. Zij, die door Gods gunst vermenigvuldigd worden, moeten dankbaar zijn al is het ook dat zij zien hoe anderen nog meer vermenigvuldigd worden.
Let hier op:
1. De steden, die hun ten deel vielen, vers 28. Zie hieromtrent Jozua 19:1 en verv.. Als er gezegd wordt dat zij hunner waren "totdat David koning werd", dan geeft dit te kennen dat, toen de tien stammen van het huis van David afvielen, velen van de Simeonieten deze steden verlieten, omdat zij in Juda lagen, en zich elders vestigden.
2. Hoe zij elders veld wonnen. Toen diegenen uit deze stam, die van het huis van David afvielen, met de overigen gevankelijk naar Assyrië gevoerd werden, zijn zij, die bij Juda bleven, op merkwaardige wijze door God begunstigd, zodat zij slaagden in hun pogingen om hun landpalen uit te breiden. Het was in de dagen van Hizkia, dat een geslacht van Simeonieten, van de stam, die zolang kruipend en onderworpen was geweest, met moed werd bezield om deze stoute pogingen te wagen.
a. Sommigen van hen deden een aanval op een plaats in Arabië (naar het schijnt) genaamd de ingang van Gedor, bewoond door de nakomelingen van de gevloekten Cham, vers 40, maakten er zich meester van, en gingen er wonen.
Het vermeerdert de roem van Hizkia's Godvruchtige regering dat, gelijk zijn rijk in het algemeen voorspoedig was, ook afzonderlijke families wèl zijn gevaren. Er wordt gezegd dat zij vette en goede weiden vonden, en toch was het land rustig, zelfs toen de koningen van Assyrië al hun naburen verontrustten, is dit land van die verschrikking vrij gebleven.
De inwoners herders zijnde, die niemand overlast aandeden, werden zij ook zelf niet lastig gevallen, totdat de Simeonieten kwamen en hen verdreven, hen opvolgden, niet alleen in de overvloed, maar ook in de vrede van hun land.
Zij, die (evenals wij) in een vruchtbaar land wonen, wier land ruim rustig en vreedzaam is, hebben reden tot grote dankbaarheid aan die God, die de bepalingen van hun woning heeft verordend.
b. Anderen van hen, ten getale van vijfhonderd, hebben onder bevel en aanvoering van vier broeders, die hier genoemd zijn, een aanval gedaan op het gebergte van Seir en sloegen de nog overigen van de gevloekte Amalekieten, en namen bezit van hun land, vers 42, 43.
Nu werd de vloek over Cham en Amalek nog verder vervuld toen die vloek scheen te slapen, zoal niet dood te zijn, en evenzo de vloek over Simeon, dat hij verdeeld en verstrooid zou zijn, Genesis 49:7, maar voor hem werd die vloek in een zegen verkeerd, want van de huisgezinnen van Simeon, die zich aldus naar die verre landen verplaatst hebben, wordt gezegd dat zij aldaar woonden tot op deze dag, vers 43, waaruit men kan opmaken dat zij aan de ramp van de gevangenschap zijn ontkomen.
Gods voorzienigheid zendt soms diegenen weg uit gevaar en moeilijkheid, die bestemd zijn om bewaard te blijven.