1 Kronieken 2:18-55
Van de meeste personen, vermeld in de eerste zeventien verzen, hebben wij al gelezen in andere delen van de Schrift, en van de meesten hunner zelfs veel, maar van degenen, die hier genoemd zijn, zijn er slechts zeer weinigen, van wie ook elders gesproken wordt.
De stam van Juda schijnt zijn geslachtsregisters vollediger en nauwkeuriger bijgehouden te hebben dan de andere stammen, waarin wij de bijzondere leiding van Gods voorzienigheid moeten zien, om de geslachtslijst van Christus volkomen duidelijk in het licht te stellen.
1. Wij vinden hier Bezaleël, de grote kunstenaar en werkmeester bij de bouw van de tabernakel, Exodus 31:2.
2. Hezron, de zoon van Perez, vers 5. Hij is de vader van heel dit nageslacht. Zijn zonen Kaleb en Jerahmeël waren zeer vruchtbaar, evenals hijzelf, zelfs in zijn ouderdom, want toen hij stierf was zijn vrouw zwanger, vers 24.
Deze Hezron was een van de zeventig, die met Jakob naar Egypte aftogen, Genesis 46:12. Daar is zijn familie, evenals de andere verdrukte families, sterk toegenomen. Wij kunnen niet anders onderstellen dan dat hij stierf toen de Israëlieten in slavernij waren in Egypte, en toch wordt hier gezegd, dat hij stierf in Kaleb-Efratha dat is Bethlehem in het land Kanaän, vers 24.
Het kan zijn dat, hoewel het gros des volks in Egypte bleef, sommigen van hen, die actiever waren dan de overigen, soms, inzonderheid voordat hun slavernij zo uiterst streng was geworden, Kanaän hebben bezocht, en er vaste voet hebben verkregen, hoewel zij die later weer verloren hebben.
Van de krijgsbedrijven van Jaïr, die hier vermeld zijn, hadden wij het verhaal in Numeri 32:41, en men veronderstelt dat zij lang na de verovering van Kanaän verricht zijn.
De Joden zeggen dat Hezron zijn derde vrouw huwde toen hij zestig jaar oud was, vers 21, en daarna nog een andere, vers 24 omdat hij een sterke begeerte had naar een nakomelingschap in het geslacht van Perez, van wie de Messias moest afstammen.
Hier wordt melding gemaakt van iemand, die kinderloos is gestorven, vers 30, en nog een in vers 32 , en van een, die geen zonen, maar dochters had, vers 34.
Laat iemand, die op deze of die wijze beproefd is, niet denken dat dit iets nieuws of iets bijzonders is. In Zijn voorzienigheid regelt God deze zaken van de geslachten met een onbetwistbare vrijmacht, naar het Hem behaagt kinderen gevende, of ze onthoudende, of ze allen van een sekse gevende.
Hij is niet verplicht ons te behagen, maar wij zijn gehouden en verplicht om te berusten in hetgeen Hem behaagt. Aan hen, die Hem liefhebben, zal Hij beter zijn dan tien zonen, en hun een naam en een plaats geven in Zijn huis, beter dan van zonen of dochters. Laat hen dan, die kinderloos zijn aangeschreven, de gezinnen niet benijden, die gebouwd worden. Zal ons oog boos zijn omdat Gods oog goed is? Hier wordt melding gemaakt van iemand, die een enige dochter had en haar ten huwelijk gaf aan zijn Egyptise dienstknecht, vers 34, 35.
Indien dit vermeld is tot zijn lof, dan moeten wij onderstellen dat deze Egyptenaar tot de Joodsen Godsdienst was bekeerd, en dat hij uitblonk in wijsheid en deugd, want anders zou het een waren Israëliet niet betaamd hebben zijn dochter aan hem uit te huwen, inzonderheid niet een enige dochter.
Als Egyptenaren bekeerd worden, en dienstknechten zich waardiglijk gedragen, dan moet noch hun afkomst, noch hun staat van dienstbaarheid hun bevordering in de weg staan.
Deze Egyptische dienstknecht kon zo'n man wezen, dat zij die hem huwde even gelukkig met hem kon leven, als wanneer zij een van de oversten van haar stem had gehuwd.
De stamboom van verscheidenen van deze eindigt niet in een persoon maar in een plaats of landstreek, zoals van hem, die gezegd wordt de vader te zijn van Kirjath-Jearim, vers 50, en een ander van Bethlehem, vers 51, dat later Davids stad geworden is, omdat deze plaatsen bij de verdeling des lands in hun lot vielen.
Eindelijk.
Hier zijn sommigen, van wie gezegd wordt dat zij huisgezinnen van de schrijvers waren, vers 55, de zodanigen, die geleerdheid in hun gezin bevorderden en in stand hielden, inzonderheid geleerdheid in de Schrift, en die het volk de goede kennis van God leerden.
Het verheugt ons om onder al deze grote geslachten sommigen aan te treffen, die gezinnen van de schrijvers waren.
Gave God dat al het volk des Heeren profeten waren, al de huisgezinnen van Israël huisgezinnen van de schrijvers, wel onderwezen in het koninkrijk van de hemelen, en instaat om uit hun schat nieuwe en oude dingen voort te brengen!