1 Kronieken 29:23-30
Deze verzen brengen koning Salomo op zijn troon en koning David naar zijn graf. Zo werpt het opkomende geslacht uit wat tevoren geweest is, en zegt: "Maak plaats voor ons." Ieder heeft zijn dag.
I. Wij zien hier Salomo verhoogd, vers 23 : Salomo zat op de troon des HEEREN. Niet Zijn troon, die Hij bereidde in de hemel, maar de troon Israëls wordt de troon des HEEREN genoemd, omdat Hij niet slechts Koning is van alle volken en alle koningen onder Hem regeren, maar omdat Hij in bijzondere zin Koning is van Israël, 1 Samuël 12:12.
Hij heeft door onmiddellijke aanwijzing hun troon gefondeerd en vervuld. De burgerlijke wetten van hun koninkrijk waren goddelijk. Urim en profeten waren de geheime raadsheren van hun vorsten daarom wordt hun troon de troon des HEEREN genoemd. Salomo's koninkrijk was een type van het koninkrijk van de Messias, en Zijns is in waarheid de troon des HEEREN, want de Vader oordeelt niemand, maar heeft Hem al het oordeel overgegeven, vandaar dat Hij Hem Zijn Koning noemt, Psalm 2:6.
Gezeten zijnde op de troon des HEEREN, de troon, waarop God hem riep, was hij voorspoedig. Zij, die de Goddelijke leiding volgen, kunnen door de Goddelijken zegen voorspoed verwachten. Salomo was voorspoedig, want:
1. Zijn volk bewees hem eer als aan een, wie eer toekomt. Gans Israël hoorde naar hem, dat is: was bereid hem trouw te zweren, vers 23 de vorsten en helden, ja ook de zonen des konings Davids, hoewel naar rangen ouderdom hun aanspraak op de kroon vóór de zijne was, en zij zich verongelijkt konden rekenen door zijn bevordering, achtte God het voegzaam hem koning te maken, en maakte hem geschikt om het te zijn, en daarom hebben zij zich allen aan hem onderworpen, vers 24.
God heeft hun hart geneigd om dit te doen, opdat zijn regering van de beginne af vreedzaam zou zijn.
Zijn vader was een beter man dan hij en toch is die met grote moeite, na lang uitstel en met veel langzame stappen op de troon gekomen. David had meer geloof en daarom was het meer beproefd.
Zij gaven de hand, dat zij onder den koning Salomo zijn zouden, dat is: verbonden zich onder ede hem bouw te zullen zijn.
Het leggen van de hand onder de heup was een ceremonie, die oudtijds gebruikt werd om te zweren, of wel, zij waren hem zo volkomen toegewijd, dat zij hun hand onder zijn voeten wilden leggen om hem te dienen.
2. God deed hem eer aan, want die Hem eren, zal Hij eren. De HEERE maakte Salomo groot ten hoogste, vers 25.
Ik ben geneigd te denken dat tot zelfs in zijn gelaat en voorkomen iets zeer groots en ontzaglijke was, alles wat hij zei en alles wat hij deed dwong eerbied af. Geen van al de richteren en koningen van Israël, die zijn voorgangers waren, zijn met zoveel majesteit opgetreden als hij noch hebben zij met zoveel luister en pracht geleefd.
II. Hier is Davids heengaan van de aarde, die grote man trad af van het toneel. De geschiedschrijver brengt hem hier tot aan het einde van zijn dag, verlaat hem toen hij ontslapen was, en schuift de gordijnen rondom hem toe.
1. Hij geeft de korten inhoud op van de jaren van zijn regering, vers 26, 27. Hij heeft veertig jaren geregeerd, zoals Mozes, Othniël, Debora, Gideon, Eli, Samuël en Saul, die voor hem geweest waren, en zoals Salomo na hem.
2. Hij geeft een kort bericht van zijn dood, vers 28, dat hij stierf zat van dagen, rijkdom en eer, dat is: er mee beladen. Hij was zeer oud en zeer rijk, en zeer geëerd door God en de mensen.
Van zijn jeugd af is hij een krijgsman geweest, en als zodanig had hij zijn ziel, dat is zijn leven, voortdurend in zijn hand maar toch is hij niet afgesneden in het midden van zijn jaren, maar is door al de gevaren van een militair leven gespaard gebleven, hij leefde tot aan een goeden ouderdom en stierf in vrede, stierf in zijn bed, en toch op het veld van eer.
Hij was zat van dagen, rijkdom en eer, dat is: hij had genoeg van deze wereld, en van de rijkdom en eer ervan, en hij wist wanneer hij genoeg ervan had, want hij was zeer gewillig om te sterven en het alles te verlaten.
God zal mij opnemen, had hij gezegd, Psalm 49:16 , en Gij zijt met mij, Psalm 23:4. Een Godvruchtig man zal spoedig zat zijn van dagen, rijkdom en eer, maar er nooit voldoening in vinden, geen voldoening dan in Gods goedertierenheid.
3. Voor een vollediger bericht van Davids leven en regering verwijst hij zijn lezers naar de geschiedenis of gedenkschriften dier tijden geschreven door Samuël bij zijn leven, en na zijn dood voortgezet door Nathan en Gad, vers 29.
Daarin was vermeld hetgeen opmerkelijk was in zijn regering en in zijn buitenlandse oorlogen en werd gesproken van de tijden, dat is: de gebeurtenissen, die over hem verlopen zijn, vers 29, 30.
Deze gedenkschriften waren toen in wezen, maar zijn nu verloren. Van de authentieke geschiedenis van de kerk kan hoewel zij niet door de Heiligen Geest is ingegeven, een goed gebruik gemaakt worden.