31. En zij wierpen ook loten, om de beurten door Goddelijke leiding aan te geven waarin zij, naast hun broeders, de zonen van Aäron, (
Vers 19) hun ambt bekleden zouden, voor het aangezicht van de koning David 1), en Zadok, en Ahimelech, en van de hoofden van de vaderen onder de priesters en onder de Levieten (
Vers 6); het hoofd van de vaders tegen zijn kleinste broer 2). Er zou geen rang of voorrang zijn, maar allen zouden gelijk wezen; naar het lot zou de tijd van hun bediening worden aangewezen.
1) De aldus bepaalde volgorde van de 24 Levieten-orden, en aan welke priesterorden ieder van hen was toegevallen, wordt ons nergens meegedeeld..
Tellen wij nu alle in onze afdeling genoemde hoofden tezamen, dan zijn het 15, die, ingeval door de vaderhuizen van de Hebronieten en de tak van de Merarieten, de Musieten, waarbij de hoofden van de klassen niet genoemd zijn, ieder vaderhuis slechts één klasse gevormd werd, slechts 15 klassen hebben uitgemaakt. Het is echter wel denkbaar, dat van de vaderhuizen van de Hebronieten en Musieten velen zo talrijk waren, dat zij meer dan één klasse vormden, zodat uit de Vers 20-29 genoemde Levieten-geslachten 24 klassen gevormd konden worden. Het onderschrift, dat zij het lot zoals hun broeders wierpen, maakt dit waarschijnlijk en de analogie van de indeling van de zangers in 24 klassen (Hoofdstuk 25) brengt deze waarschijnlijkheid wel tot zekerheid, dat de tot dienstbetoning aan de Priesters bestemde Levieten, in even zo vele dienstklassen werden gedeeld, ofschoon een uitdrukkelijke opgave daaromtrent ontbreekt en in het Oude Testament nergens een aanduiding omtrent de volgorde van de Levieten gevonden wordt..
2) De betekenis is, dat het lot een gelijke verdeling, zonder onderscheid, aanbracht. De Vulgata vertaalt: tam majores quam minores; omnes sors aequaliter dividebat.