1 Kronieken 22:17-19
David beveelt de vorsten Israëls om Salomo te helpen in het grote werk, dat hij te doen had, dat ieder hunner hem de hand moest lenen in de volvoering ervan. Zij, die op de troon zijn, kunnen het goede niet doen, dat zij zouden willen doen, tenzij degenen, die de troon omringen, er zich met hen in verenigen. David begeerde dus dat de vorsten Salomo zullen bijstaan met hun raad, hem zullen opwekken en aanmoedigen, en hem het werk zo gemakkelijk zullen maken als zij kunnen, door het, ieder op zijn plaats en naar zijn vermogen, te bevorderen.
1. Hij toonde hun welke verplichtingen op hen rustten om ijverig te zijn in deze zaak, in dankbaarheid aan God voor de grote dingen die Hij voor hen gedaan heeft, Hij had hun de overwinning gegeven, Hij had hun rust gegeven en een goed land tot een erfdeel, vers 18.
Hoe meer God voor ons gedaan heeft, hoe meer wij moeten trachten voor Hem te doen.
2. Hij dringt er bij hen op aan om ijverig te zijn in de zaak, vers 19.. Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel om te zoeken de Heere, uw God, stelt uw geluk in Zijn gunst, en houdt uw oog gericht op Zijn heerlijkheid, zoekt Hem als uw voornaamste goed en uw hoogste doeleinde, en doet dit met uw hart en uw ziel, maakt de Godsdienst tot uw keus uw werk, dan zult gij geen moeite of kosten ontzien om de bouw van dit heiligdom te bevorderen. Laat slechts het hart in oprechtheid voor God zijn, dan zullen het hoofd en de hand, de bezitting en de invloed, ja alles blijmoedig voor Hem worden gebruikt.