1 Kronieken 22:6-16
Hoewel Salomo jong en teder was, was hij toch instaat om onderricht te ontvangen nopens het werk, waarvoor hij bestemd was, dienovereenkomstig geeft zijn vader hem hier onderricht. Toen David aan de regering kwam, had hij veel te doen, want de fondamenten wankelden, maar aan Salomo was slechts een last opgedragen, en die was: het huis des Heeren, des Gods Israëls, te bouwen, vers 6.
I. Hij, zegt hem waarom hij het zelf niet deed. Het was in zijn hart om het te doen, vers 7, maar God verbood het hem, omdat hij veel bloed had vergoten, vers 8.
Sommigen denken dat dit ziet op het bloed van Uria, dat zo'n vlek op hem deed kleven, dat het hem de eer onwaardig maakte om de tempel te bouwen. Maar die eer was hem ontzegd, voordat hij dat bloed had vergoten, daarom moet het bedoeld zijn, zoals het hier verklaard wordt.
Van het bloed, dat hij in zijn oorlogen had vergoten, want hij is een krijgsman geweest van zijn jeugd af aan, welk bloed, hoewel het rechtvaardig, eervol, in de dienst van God en Israël vergoten was, hem toch ongeschikt maakte om in deze dienst gebruikt te worden, of liever, minder geschikt dan een ander, die nooit tot zo bloedig werk was geroepen.
Door deze reden aan te duiden, waarom David dit werk niet doen mocht, heeft God getoond hoe dierbaar Hem het menselijk leven is, en die de tempel zal bouwen moest het type wezen van Hem, die de Evangelietempel zou bouwen, niet door van de mensen leven te verderven, maar te behouden, Lukas 9:56.
II. Hij zegt hem de reden, waarom hij hem die plicht oplegde.
1. Omdat God hem er voor bestemd had hem genoemd had als de man, die het doen moest. "Een zoon zal u geboren worden, wiens naam Salomo zal zijn, die zal Mijnen naam een huis bouwen", vers 9, 10.
Niets is krachtiger om ons te verbinden aan en te bemoedigen in enigerlei dienst voor God, dan te weten dat wij er toe verordineerd zijn.
2. Omdat hij tijd en gelegenheid zal hebben om het te doen. Hij zal een man van rust zijn, en daarom zullen zijn tijd en zijn gedachten en zijn vermogen niet afgeleid worden van deze zaak. Hij zal rust hebben van zijn vijanden buitenslands, (geen hunner zal hem aanvallen of bedreigen of beledigen) en hij zal binnenslands rust en vrede hebben, en daarom: laat hem het huis bouwen. Als God rust geeft, verwacht Hij werk.
3. Omdat God beloofd heeft zijn koninkrijk te bevestigen. Laat dit hem aanmoedigen om God te eren, dat God eer voor hem heeft weggelegd, laat hem Gods huis bouwen, en God zal zijn troon opbouwen.
Gods genaderijke beloften moeten ons opwekken en bekrachtigen tot de dienst van God. III. Hij geeft hem een overzicht van de grote toebereidselen, die hij had gemaakt voor dit bouwwerk, vers 14, niet uit hoogmoed of verwaandheid (hij spreekt er van als van iets zeer gerings, ik heb in mijn armoede bereid zoals de kanttekening het heeft) maar als een aanmoediging voor Salomo om het werk goedsmoeds ter hand te nemen, voor hetwelk reeds zo'n degelijken grondslag aanwezig was.
De schatten, hier vermeld van honderd duizend talenten gouds en een millioen talenten zilvers, bedragen zo'n ongelooflijk grote som geld, dat de meeste uitleggers of een vergissing bij het overschrijven onderstellen of van mening zijn dat het talent hier slechts de betekenis heeft van een plaat of een stuk `baren' of `staven' noemen wij ze.
Ik ben geneigd te denken dat hier een zeker voor een onzeker getal genomen is, omdat in vers 16 gezegd is, dat van het goud en zilver, zowel als van het koper en ijzer geen getal was, en dat David hier al de geheiligde dingen bij insloot, Hoofdstuk 18:11, die hij bestemde voor het huis des Heeren, niet alleen voor het bouwen ervan maar voor de schatkist ervan, en dit alles tezamen voegende kan het de som wel nabijkomen, die hier genoemd is. Honderden en duizenden zijn getallen, die wij dikwijls gebruiken om uit te drukken wat zeer groot of zeer veel is, terwijl wij dan toch niet willen dat dit letterlijk zal opgevat worden.
IV. Hij beveelt hem Gods geboden te houden, en in alles zijn plicht te behartigen, vers 13. Hij moet niet denken dat hij met het bouwen van de tempel een vrijstelling koopt om te zondigen, neen, integendeel, zijn doen daarvan zal niet aangenomen worden, Gode niet welbehaaglijk zijn, indien "hij niet waarneemt te doen de inzettingen en de rechten die de Heere Mozes geboden heeft over Israël" vers 13.
Ofschoon hij koning zal zijn van Israël, moet hij toch altijd gedenken dat hij een onderdaan is van de God van Israël.
V. Hij moedigt hem aan om zich tot dit grote werk te begeven en er mee voort te gaan, vers 13. Wees sterk en heb goeden moed, hoewel het een zeer grote onderneming is behoeft gij niet te vrezen onder de smaad te vallen van de dwazen bouwer, die begon te bouwen maar niet instaat was er mee voort te gaan, het is Gods werk, en het zal voleindigd worden, vrees niet, en wees niet verslagen.
In ons geestelijk werk hebben wij moed en vastberadenheid nodig, zowel als in onze geestelijken strijd.
Vl. Hij spoort hem aan om het niet te laten blijven bij de toebereidselen, die hij had gemaakt, maar er nog aan toe te voegen, vers 14.
Zij, die ingaan tot de arbeid van anderen en voortbouwen op het door hen gelegde fondament, moeten nog naar vordering en verbetering streven.
Eindelijk. Hij bidt voor hem. De Heere geve u kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, vers 12. Welken last wij ook hebben, als wij zien dat God ons de last geeft en ons er toe roept, dan kunnen wij hopen dat Hij ons wijsheid zal geven om hem te volbrengen.
Misschien had Salomo het oog op dit gebed van zijn vader voor hem in het gebed, dat hij voor zichzelf opzond: "Heere geef mij een wijs en verstandig hart".
Hij besluit in vers 16 :Maak u op en doe het, en de Heere zal met u zijn. Hoop op Gods tegenwoordigheid moet ons niet verslappen in onze pogingen, hoewel de Heere met ons is, moeten wij `ons opmaken en doen', dan hebben wij reden te geloven, dat Hij met ons is en met ons zijn zal. Werkt uws zelfs zaligheid, en God zal in u werken.