1 Kronieken 1:1-27
Het eerste woord van deze paragraaf is "Adam", het laatste "Abraham". Tussen de schepping van de eerste en de geboorte van de laatste zijn twee duizend jaren verlopen, gedurende bijna de helft daarvan heeft Adam geleefd.
Adam was de algemene vader van ons vlees, Abraham de algemene vader van de gelovigen. Het verbreken van het verbond van de onschuld door de eerste heeft ons allen ongelukkig gemaakt, door het verbond van de genade, gemaakt met de laatste, worden wij allen, of kunnen wij allen gelukkig gemaakt worden. Van nature zijn wij allen het zaad van Adam, takken van die wilde olijfboom.
Laat ons zorgen dat wij, door het geloof, het zaad Abrahams worden, Romeinen 4:11, 12, dat wij ingeënt worden in de goede olijfboom, en zijn wortel en vettigheid deelachtig worden.
I. De eerste vier verzen van deze paragraaf, en de laatste vier, die saamverbonden zijn door Sem, vers 4, 24, bevatten de heilige linie van Christus van Adam tot op Abraham, en zijn opgenomen in Zijn stamboom, Lukas 3:34-38, waar de orde opklimt, hier is zij afdalend. Deze geslachtslijst bewijst het onware van het smadelijk verwijt: deze weten wij niet, vanwaar hij is.
Bisschop Patrick merkt hier terecht op, dat een geslachtsregister gemaakt zijnde van de geslachten van de Joden, het als een bijzondere eer van het Joodse volk beschouwd moet worden dat zij alleen instaat zijn hun afkomst te bewijzen van de eerste mens, die God geschapen heeft, iets waarop geen ander volk aanspraak heeft gemaakt, die hebben zich en hun nageslacht misleid met fabelachtige berichten van hun oorsprong, de Arcadiërs verbeeldden zich dat zij vóór de maan bestonden, het volk van Thessalië dat zij uit stenen zijn voortgekomen, de Atheners dat zij uit de aarde gegroeid zijn, tamelijk gelijk aan de ijdelen waan, die sommigen van de philosophen hadden van de oorsprong van het heelal.
Het bericht dat de Heilige Schrift geeft van de schepping van de wereld en van het ontstaan van de volken draagt even duidelijke bewijzen in zich van zijn waarheid, als deze ijdele overleveringen de kenmerken in zich dragen van haar ijdelheid en leugen.
II. Al de daartussen liggende verzen herhalen het bericht van de vervulling van de aarde door de zonen van Noach na de zondvloed.
1. Hij begint met die, welke vreemdelingen waren voor de kerk, de kinderen van Jafeth, die in de eilanden van de volken geplant werden, de westelijke delen van de wereld, de landen van Europa. Van deze geeft hij een kort bericht vers 5-7, omdat de Joden met deze totnutoe weinig te doen hadden.
2. Hij gaat over tot hen, van wie velen vijanden van de kerk zijn geweest, de kinderen van Cham, die zuidwaarts trokken naar Afrika, en naar de delen van Azië, die op die weg lagen.
Nimrod, de zoon van Cusch, begon een verdrukker te wezen, waarschijnlijk van Gods volk in zijn tijd. Maar Mizraim, van wie de Egyptenaren afstamden, en Kanaän, van wie de Kanaänieten kwamen, zijn beide namen van grote bekendheid in de geschiedenis van de Joden want met hun nakomelingen had het Israël Gods zwaar te worstelen om uit het land van Egypte en in het land van Kanaän te komen, en daarom worden de takken van Mizraim bijzonder vermeld, vers 11, 12, en van Kanaän vers 13-16.
Zie op welk een prijs Israël wordt gesteld door God, daar Hij Egypte tot hun losgeld heeft gegeven, Jesaja 43:3 , en al die heidenen verdreven heeft van voor hun aangezicht, Psalm 80:9.
3. Daarna geeft hij een bericht van hen, die de voorouders en verbondenen van de kerk zijn geweest, het nageslacht van Sem vers 17-23.
Dezen bevolkten Azië en breidden zich uit naar het oosten, de Assyriërs, de Syriërs, de Chaldeën, de Perzen en de Arabieren stammen van deze af.
In het eerst was de oorsprong van de onderscheiden volken bekend, maar wij hebben reden te denken dat heden ten dage de volken zich zozeer met elkaar hebben vermengd door de uitbreiding van de handel en door overheersing, de overplanting van koloniën, de wegvoering van gevangenen, en vele dergelijke omstandigheden, dat geen enkel volk noch het grote deel van enig volk uit deze bronnen zijn oorsprong heeft.
Hiervan alleen zijn wij zeker, dat God uit een bloede het gehele geslacht van de mensen gemaakt heeft, allen stammen zij af van een Adam, van een Noach.
Hebben wij niet allen een vader? heeft niet een God ons geschapen? Maleachi 2:10.
Ons register spoedt zich voort naar de linie van Abraham plotseling wegbrekende van al de andere geslachten van de zonen van Noach, behalve die van Arpachsad, uit welke Christus moest voortkomen.
De grote belofte van de Messias zegt bisschop Patrick, is overgebracht van Adam op Seth, van hem op Sem, van hem op Heber, en zo op het Hebreeuwse volk, aan hetwelk boven ieder ander volk die heilige schat toevertrouwd werd totdat de belofte vervuld was, de Messias was gekomen, en toen werd die natie tot "niet een volk" gemaakt.